Nobele morele eigenschappen
Deze verhandeling belicht verschillende aspecten van een edel karakter in de omgang met Allah en met de medemens. Zij verduidelijkt dat een voortreffelijke houding tegenover Allah inhoudt, dat men Zijn mededelingen en geboden met aanvaarding en berusting tegemoet treedt en Zijn beschikkingen met geduld draagt. Daarnaast behandelt de verhandeling de verschillende manieren waarop een edel karakter tot uiting komt in de omgang met anderen: door niemand kwaad te berokkenen, vrijgevig te zijn en anderen met een vriendelijk en opgewekt gelaat tegemoet te treden. Dit alles wordt toegelicht aan de…
This PDF is generated automatically from the book's text; its layout may differ from the printed edition.
De edele karaktereigenschappen
Van de nobele grootgeleerde sheikh
Moḥammed ibn Salih Al-'Uthaymin
Moge Allāh hem, zijn ouders en de moslims vergeven.
In naam van Allāh, de Barmhartige, de Genadevolle
Allah, de Verhevene, zond hem met de leiding en de godsdienst van de waarheid, opdat Hij deze boven alle andere godsdiensten zou doen zegevieren. Allah, de Verhevene, zond hem in de aanloop naar het Uur als verkondiger van verheugende tijdingen en als waarschuwer, als iemand die met Zijn toestemming tot Allah oproept, en als een stralende lamp. Hij bracht de Boodschap volledig over, vervulde het hem toevertrouwde, gaf de gemeenschap oprechte raad en zette zich voor Allah in zoals Hem dat toekomt, totdat de dood hem bereikte. Allah schonk vervolgens, aan wie Hij wilde van Zijn dienaren, de genade om gehoor te geven aan zijn oproep en zich door zijn leiding te laten leiden. En wie Allah in Zijn wijsheid van Zijn bijstand verstoken liet, verhief zich hoogmoedig boven gehoorzaamheid aan hem, loochende wat hij verkondigde en verzette zich hardnekkig tegen zijn gebod. Zo keerde hij terug met verlies en een verregaande dwaling. Voorwaar, alle lof komt Allah toe. Wij loven Hem, zoeken Zijn hulp, vragen Hem om vergeving en tonen Hem berouw. Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen het kwaad in onszelf en tegen de slechte gevolgen van onze daden. Wie Allah leidt, kan door niemand worden misleid, en wie Hij laat dwalen, voor hem is er geen gids. Ik getuig dat er geen god is behalve Allah, Hij alleen, zonder deelgenoot, en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is.
Voorts: Het verheugt mij om tijdens deze bijeenkomst [1] over goed gedrag te spreken. [1] Deze bijeenkomst vond plaats tijdens het zomerprogramma van het Wetenschappelijk Instituut van Unaizah
En het karakter - zoals de geleerden zeggen - is de innerlijke gedaante van de mens; omdat de mens twee gedaanten heeft:
Een uiterlijke vorm: dit is de gedaante van Zijn schepping waarop Allah het lichaam heeft gevormd. En wij weten allemaal dat onder deze uiterlijke vormen sommige mooi en prachtig zijn, andere lelijk en slecht, en weer andere zich daartussenin bevinden.
Ook de innerlijke gesteldheid kan worden onderscheiden in een goede en een slechte gesteldheid. Dit is wat met het begrip karakter wordt aangeduid. Het karakter is dus de innerlijke gesteldheid waarop de mens van nature is gevormd.
En zijn karaktereigenschappen aangeboren of verworven?
Het antwoord luidt: de karaktereigenschappen zijn zonder enige twijfel deels aangeboren en deels verworven. Hoewel een bepaalde karaktertrek van nature aanwezig kan zijn, kan zij eveneens worden aangeleerd en ontwikkeld. Met andere woorden: zoals een mens van nature met een goed en edel karakter begiftigd kan zijn, zo kan hij zich zulke karaktereigenschappen ook eigen maken door oefening en training. Daarom zei de Profeet (vzmh) tegen al-Ashaddj van ʿAbd al-Qays: "Waarlijk, in u bevinden zich twee eigenschappen die Allah liefheeft: zachtmoedigheid en bedachtzaamheid." Hij zei: "O boodschapper van Allah! Heb ik mij deze eigen gemaakt, of heeft Allah mij hiermee geschapen?" Hij antwoordde: "Nee, Allah heeft u hiermee geschapen." Hij zei: "Alle lof zij Allah Die mij heeft geschapen met twee eigenschappen die Allah en Zijn boodschapper liefhebben [2]." [2] Overgeleverd door Aboe Dawoed in "Kitab al-Adab" (Het boek van de goede omgangsvormen), hoofdstuk: ‘Over het kussen van de voet’, nr. 5225, op gezag van Zariʿ (moge Allah tevreden met hem zijn) die deel uitmaakte van de delegatie van ʿAbd al-Qays. Ook overgeleverd door At-Tirmidhi in Abwaab al-Birr wa-s-Sila (Hoofdstukken over goedheid en het onderhouden van verwantschapsbanden), hoofdstuk: ‘Over wat is overgeleverd betreffende bedachtzaamheid en overhaasting’, nr. 2011, op gezag van Ibn ʿAbbas (moge Allah tevreden zijn met hen beiden).
Dit vormt het bewijs dat prijzenswaardige en edele karaktereigenschappen zowel van nature aanwezig als door bewuste oefening verworven kunnen zijn. Een aangeboren karaktereigenschap is echter zonder twijfel voortreffelijker dan een eigenschap die men zichzelf heeft aangeleerd. Wanneer een karaktereigenschap immers van nature aanwezig is, wordt zij een vaste en spontane eigenschap van de mens, die deel uitmaakt van zijn natuurlijke aanleg. Hij hoeft zich dan bij het in praktijk brengen ervan niet te forceren en evenmin een bepaalde houding kunstmatig aan te nemen. Dit is echter een gunst van Allah, die Hij schenkt aan wie Hij wil. Wie deze gunst niet heeft ontvangen (dat wil zeggen: wie een bepaalde karaktereigenschap niet van nature bezit) kan haar alsnog verwerven door zichzelf erin te oefenen. Dat gebeurt door voortdurende training en praktische beoefening, zoals wij, als Allah de Verhevene het wil, later nog zullen uiteenzetten.
Hier is een kwestie, namelijk: wie van hen is beter: een man die van nature is begiftigd met een goed karakter, of een man die zichzelf bevecht om zich ermee te sieren? Wie van hen geniet de hoogste rang en de grootste beloning?
Als antwoord op deze kwestie zeggen wij: er bestaat geen twijfel over dat degene die van nature met een bepaalde morele deugden is begiftigd, daarin volmaakter is ,zowel wat betreft het daadwerkelijk bezitten van die eigenschap als het ernaar handelen. Hij hoeft zich daarvoor immers geen inspanning of moeite te getroosten en die eigenschap laat hem ook niet in bepaalde situaties of omstandigheden in de steek. Een goed karakter is bij hem namelijk een vaste, natuurlijke aanleg. Wanneer je hem ook ontmoet, je treft hem aan met een goed karakter; waar je hem ook ontmoet, je treft hem aan met een goed karakter; en in welke toestand je hem ook aantreft, je vindt hem steeds van goed karakter. Vanuit dit oogpunt is hij dan ook zonder enige twijfel volmaakter.
Wat betreft het karakter dat wordt verworven door gewenning, bewuste inspanning, praktijk of oefening: de mens zal hiervoor worden beloond vanwege de strijd met zijn ziel. Echter, wat de volmaaktheid van het karakter betreft, is dit aanzienlijk minder dan de eerste categorie.
Als de mens is begiftigd met beide vormen van karakter samen, van nature en aangeleerd, dan is dat het meest volmaakt en er zijn vier categorieën:
1- Degene die verstoken is van goed gedrag.
2- Degene die hiermee van nature is geschapen, maar zich beperkt tot de natuurlijke aanleg.
3- En degene die er van nature mee begaafd is en dit vermeerdert door verwerving.
4- En degene die het niet van nature bezit, maar het door inspanning heeft verkregen.
Kortom: met betrekking tot een goed karakter is degene bij wie dit is aangeboren de meest volmaakte. En wat betreft de inspanning en de moeite bij het verkrijgen van een goed karakter; waarlijk, degene die dit via de weg van inspanning verwerft, ontvangt de beloning van de innerlijke strijd.
Hier rijst de volgende vraag: bestaan er karaktereigenschappen die niet in de Koran en de Soenna worden genoemd? Zo ja, hoe kunnen we die achterhalen?
Antwoord: De Profeet (vrede zij met hem) zei: "Ik ben slechts gezonden om edele karaktereigenschappen te voltooien" [3]; Dit komt doordat alle eerdere wetten, die Allah voor de dienaren heeft voorgeschreven, aansporen tot edele karaktereigenschappen. Daarom hebben de geleerden vermeld dat deze edele karaktereigenschappen datgene zijn wat alle wetten unaniem hebben vereist. Echter, in deze perfecte wetgeving bracht de Profeet (vrede zij met hem) de voltooiing van de nobele de edele karaktereigenschappen. [3] Overgeleverd door Ahmed (2/381), en Al-Bayhaqi in As-Sunan al-Kubra (10/233), en de bewoording is van hem, uit de hadith van Aboe Hoerayra, moge Allah tevreden zijn met hem.
Laten we dit illustreren aan de hand van het vergeldingsrecht. Stel dat iemand een ander iets aandoet: moet de dader dan worden vergolden of niet? Men stelt dat vergelding in de joodse wet verplicht is en onvermijdelijk moet worden uitgevoerd, waarbij het slachtoffer geen andere keuze heeft. In de christelijke wet zou daarentegen het omgekeerde gelden, namelijk dat vergeving verplicht is. Onze wetgeving is echter in beide opzichten volmaakt: zij biedt zowel de mogelijkheid tot vergelding als tot vergeving. De dader ter verantwoording roepen voor zijn misdaad getuigt immers van vastberadenheid en helpt het kwaad tegen te houden. Hem vergeven is daarentegen een daad van goedheid, edelmoedigheid en welwillendheid jegens degene die men vergeeft. Onze wetgeving (alle lof zij Allah) is dus alomvattend: zij biedt de rechthebbende de keuze tussen vergeving en vergelding, zodat hij vergeeft wanneer vergeving gepast is en vergelding eist wanneer vergelding gepast is.
*
De gebieden van goede karaktereigenschappen
Veel mensen verkeren in de veronderstelling dat goede karaktereigenschappen uitsluitend betrekking heeft op de omgang met de schepping en niet op de omgang met de Schepper. Dit begrip schiet echter tekort, want net zoals goed gedrag van toepassing is in de omgang met de schepping, is het ook van toepassing in de omgang met de Schepper.
Het onderwerp van goede karaktereigenschappen is dus: de omgang met de Schepper (Glorieus en Verheven is Hij), en ook de omgang met de schepping, en aan deze kwestie dient aandacht te worden besteed.
De eerste: De dele karaktereigenschappen in de omgang met de Schepper, de Majesteitelijke en Verhevene:
De goede karaktereigenschappen in de omgang met de Schepper omvat drie zaken:
1- Het met geloof aanvaarden van de berichten van Allah de Almachtige.
2- Het aanvaarden van Zijn voorschriften door uitvoering en toepassing.
3- Zijn lotsbeschikkingen met geduld en tevredenheid aanvaarden.
Dit zijn drie zaken waar goede karaktereigenschappen tegenover Allah de Verhevene om draait.
1. Alles wat Hij ons bekendmaakt in volle overtuiging als waarheid aanvaarden: Dit houdt in dat er bij de mens geen enkele twijfel of aarzeling bestaat over de waarheid van wat Allah (Machtig en Majesteitelijk is Hij) bekendmaakt. Alles wat Allah, de Verhevene, ons bekendmaakt, berust immers op kennis, en niemand is waarachtiger in zijn spreken dan Hij. Zoals Allah, de Verhevene, over Zichzelf zegt: (....En wie is er waarachtiger in Zijn uitspraken dan Allah) [An-Nisa'e:87].
Het geloof in wat Allah ons bekendmaakt, vereist dat de mens daarop volledig vertrouwt, het verdedigt en zich ervoor inzet. Geen enkele twijfel of scepsis mag bij hem opkomen over wat Allah (de Almachtige en Majesteitelijke) en Zijn Boodschapper (vzmh) hebben verkondigd.
En wanneer de dienaar zich met dit karakter gedraagt, is hij in staat om elke twijfel af te wenden die de afkerigen opwerpen tegen de berichten van Allah en Zijn Boodschapper (vrede zij met hem) of zij nu behoren tot de moslims die in de religie van Allah zaken hebben geïnnoveerd die er niet toe behoren of dat zij behoren tot anderen dan de atheïsten, die twijfels zaaien in de harten van de moslims.
Laten we hiervoor een voorbeeld geven: in Sahieh Al-Boekhari heeft Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden met hem zijn) overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) zei: "Wanneer een vlieg in het drinken van een van jullie valt, laat hem deze dan onderdompelen en vervolgens verwijderen, want in een van zijn vleugels bevindt zich een ziekte en in de andere een genezing" [4]. [4] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van het Begin van de Schepping, hoofdstuk: Als een vlieg in de drank van een van jullie valt, laat hij deze dan onderdompelen, want in één van zijn vleugels bevindt zich een ziekte en in de andere een genezing, nummer (3320), vanuit de overlevering van Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden zijn met hem).
Dit is dus iets wat de Boodschapper van Allah vzmh heeft verkondigd en wat behoort tot de zaken van het onwaarneembare. Hij spreekt niet uit eigen begeerte, maar uitsluitend op grond van wat Allah, de Verhevene, aan hem heeft geopenbaard. Hij is immers een mens en mensen beschikken niet over kennis van het onwaarneembare. Allah heeft dan ook tegen hem gezegd: (Zeg: “Ik vertel jullie niet dat er bij mij schatten van Allah zijn; noch vertel ik jullie dat ik een engel ben. Ik volg wat er geopenbaard is...) "[Al-An'am:50]."
Deze uitspraak vraagt van ons een juiste morele houding. Deze houding houdt in dat wij haar volledig aanvaarden en er stellig van overtuigd zijn dat wat de Profeet (vzmh) in deze overlevering heeft gezegd waar en waarachtig is, ongeacht wie daartegen bezwaar maakt. Tevens weten wij met absolute zekerheid dat alles wat in strijd is met hetgeen op authentieke wijze van de Boodschapper van Allah (vzmh) is overgeleverd, onwaar is. Allah, de Verhevene, zegt immers: (...Wat kan er dan na de waarheid nog zijn, behalve valsheid? Hoe kunnen jullie je dan alsnog afwenden?) [Yoenoes:32].
Een ander voorbeeld is: uit het nieuws van de Dag des Oordeels:
De Profeet (vrede zij met hem) berichtte: "Dat de zon op de Dag des Oordeels zo dicht bij de schepping zal komen dat de afstand gelijk is aan die van één mijl" [5] Of dit nu de oogliner (kohl)-mijl is of de afstandsmijl, deze afstand tussen de zon en de hoofden van de schepping is gering. Desondanks zullen de mensen niet verbranden door haar hitte, hoewel de wereld zou verbranden als de zon nu in deze wereld de afstand van een vingertop dichterbij zou komen. [5] Overgeleverd door Moeslim: het Boek van het Paradijs, hoofdstuk over de beschrijving van de Dag der Opstanding, nummer (2864), uit de hadith van al-Miqdaad ibn al-Aswad, moge Allah tevreden met hem zijn.
Iemand zou kunnen zeggen: "Hoe kan de zon op de Dag des Oordeels op deze afstand zo dicht bij de hoofden van de schepping komen, en de mensen dan nog een moment in leven blijven?!"
Wat zijn dan goede karaktereigenschappen ten opzichte van deze Hadith?
De goede karaktereigenschappen ten opzichte van deze overlevering is dat wij deze accepteren en in waarheid bevestigen; dat er in onze harten geen weerstand, noch beklemming, noch aarzeling hierover bestaat; en dat wij weten dat wat de Profeet (vrede zij met hem) hierin heeft overgeleverd, de waarheid is.
En het is niet mogelijk om de omstandigheden van het Hiernamaals af te meten aan de omstandigheden van het wereldse leven, vanwege de aanwezigheid van dit enorme verschil. Wij weten immers dat de mensen op de Dag des Oordeels vijftigduizend jaar zullen staan, en is het dan, volgens de maatstaf van het wereldse leven, mogelijk dat iemand van de mensen vijftigduizend jaar kan staan?
Het antwoord is: nee, het verschil is dan ook enorm. Als dit het geval is, dan aanvaardt de gelovige een dergelijk bericht met openheid van hart en innerlijke rust; zijn begrip ervoor verruimt zich en zijn hart opent zich ervoor.
2- Het aanvaarden, uitvoeren en toepassen van de voorschriften van Allah: men verwerpt dus niets van de voorschriften van Allah, want wanneer men iets van de voorschriften van Allah verwerpt, dan is dit slecht gedrag jegens Allah, Machtig en Verheven is Hij, ongeacht of men deze verwerpt door het oordeel ervan te ontkennen, of deze verwerpt uit hoogmoed om deze na te leven, of deze verwerpt uit laksheid om deze na te leven. Voorwaar, dat is in strijd met goed gedrag jegens Allah, Machtig en Verheven is Hij.
Laten we dit verduidelijken aan de hand van een voorbeeld: de inspannende goede werken die wij tijdens de maand Ramadan verrichten. Het vasten valt de mens ongetwijfeld zwaar, omdat hij zich onthoudt van wat hem vertrouwd is: eten, drinken en echtelijke omgang. Dat vergt veel van hem. De gelovige die tegenover Allah (Machtig en Majesteitelijk is Hij) een juiste morele houding aanneemt, aanvaardt deze verplichting; of nauwkeuriger gezegd: hij aanvaardt deze eer. Hij beschouwt haar als een gunst van Allah (Machtig en Majesteitelijk is Hij) en ontvangt haar met een open hart en innerlijke rust. Zijn ziel stelt zich er gewillig voor open. Zo zie je hem vasten tijdens lange, hete dagen, terwijl hij daarmee tevreden is en innerlijke voldoening ervaart, omdat hij tegenover zijn Heer de juiste morele houding aanneemt. Wie daarentegen tegenover Allah een slechte morele houding aanneemt, reageert op een dergelijke daad van aanbidding met ergernis en afkeer. Als hij niet bevreesd was voor de kwalijke gevolgen die daaruit zouden kunnen voortvloeien, zou hij zich niet aan het vasten houden.
Een ander voorbeeld: het gebed. Het lijdt geen twijfel dat het zwaar is voor sommige mensen, en het is zwaar voor de hypocrieten, zoals de profeet (Vrede zij met hem) zei: "De zwaarste gebeden voor de hypocrieten zijn: het 'Isja-gebed en het Fajdr-gebed" [6]. [6] Overgeleverd door Al-Boekhari in "Het Boek van de Adhaan", hoofdstuk 'De verdienste van het 'isha-gebed in gezamenlijkheid', nummer (657), en door Moeslim in "Het Boek van de Moskeeën", hoofdstuk 'De verdienste van het gezamenlijke gebed', nummer (651), van de overlevering van Aboe Hoeraira.
Maar het gebed is voor de gelovige niet zwaar. Allah, de Verhevene, zegt: (Zoek hulp door geduld en het gebed. Voorwaar, dit is zwaar, behalve voor hen die zich ootmoedig aan Allah onderwerpen 45 zij die er zeker van zijn dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat zij tot Hem zullen terugkeren 46) [Al-Baqara:45-46]. Voor hen is het niet zwaar, maar het is gemakkelijk en toegankelijk; en daarom zei de Profeet (vrede zij met hem): "Mijn bron van genot is het gebed" [7]. [7] Overgeleverd door Imam Ahmed (3/128), en An-Nasa'i: Boek over de omgang met vrouwen, Hoofdstuk over de liefde voor vrouwen, nummer 3940, uit de overlevering van Anas, moge Allah tevreden met hem zijn.
Een juiste morele houding tegenover Allah (Machtig en Majesteitelijk is Hij) komt met betrekking tot het gebed hierin tot uiting: je verricht het met een open en gerust hart, en het vormt voor jou een bron van vreugde. Je verheugt je wanneer je ermee bezig bent en kijkt ernaar uit zodra de gebedstijd nadert. Nadat je het ochtendgebed hebt verricht, verlang je naar het middaggebed; na het middaggebed verlang je naar het namiddaggebed; na het namiddaggebed naar het zonsondergangsgebed; na het zonsondergangsgebed naar het avondgebed; en na het avondgebed verlang je opnieuw naar het ochtendgebed. Zo blijft je hart voortdurend gehecht aan deze daden van aanbidding. Dit behoort zonder enige twijfel tot een juiste morele houding tegenover Allah, de Verhevene.
Een derde voorbeeld bij transacties: het verbod op rente (riba), want Allah heeft ons rente uitdrukkelijk verboden in de Koran, zoals Allah, de Verhevene, zegt: (...maar Allah heeft de handel toegestaan en de rente verboden...) En Hij zegt erover: (...Iedereen die dus een vermaning van zijn Heer ontvangt en stopt met het verteren van rente, zal niet voor het verleden gestraft worden; zijn zaak ligt voor Allah, maar iedereen die terugkeert, zijn de bewoners van het vuur, zij zullen daarin altijd verblijven) [Al-Baqarah:275]. Daarom dreigde Hij degene die terugkeert naar riba, nadat de vermaning tot hem is gekomen en hij het oordeel kent. Hij dreigde hem dat hij zal verblijven in het eeuwige Vuur en wij zoeken onze toevlucht bij Allah.
De gelovige accepteert dit religieuze oordeel met ruimhartigheid, tevredenheid en overgave. Echter, de ongelovige accepteert het niet en het benauwt hem, en wellicht tracht hij het met allerlei listen te omzeilen; want wij weten dat er in rente een zekere winst zit waaraan geen enkel risico is verbonden, maar in werkelijkheid is het winst voor de één en onrecht voor een ander; en daarom zegt Allah: (...maar als jullie berouw hebben, zullen jullie je geldelijke som behouden. Handel niet onrechtmatig en jullie zullen niet onrechtvaardig behandeld worden) [Al-Baqarah:279].
3- De lotsbeschikkingen van Allah, de Verhevene, met tevredenheid en geduld aanvaarden. Dit is het derde aspect van een goede karakter eigenschappen tegenover Allah. Wij weten allen dat niet alles wat Allah (Machtig en Majesteitelijk is Hij) in Zijn schepping beschikt, voor de schepselen aangenaam is. Is alles wat Allah voor ons beschikt dan naar onze zin? Met andere woorden: voelen wij ons er innerlijk toe aangetrokken en kunnen wij ons er gevoelsmatig in vinden? In werkelijkheid is dat niet het geval.
Zo is ziekte bijvoorbeeld niet wenselijk voor de mens, aangezien de mens ernaar verlangt gezond te zijn.
Evenzo past armoede niet bij de mens, want de mens houdt ervan om rijk te zijn. En net zo past onwetendheid niet bij de mens, want de mens houdt ervan om geleerd te zijn. Echter variëren de decreten van Allah, de Machtige en Verhevene, vanuit Zijn wijsheid. Sommige hiervan passen bij de mens en hij vindt er rust in, in overeenstemming met zijn aard, terwijl andere niet zo zijn. Wat is dan het goede gedrag jegens Allah, de Machtige en Verhevene, ten aanzien van Zijn decreten?
Goed gedrag jegens Allah met betrekking tot Zijn voorbeschikking (lot) is dat je tevreden bent met wat Allah voor jou heeft bepaald, dat je er rust in vindt, en dat je weet dat Hij dit slechts heeft bepaald vanuit een wijsheid en een prijzenswaardig doel waarvoor Hij het verdient geprezen en bedankt te worden.
Op basis hiervan houdt goed gedrag jegens Allah ten aanzien van Zijn beschikkingen in dat de mens tevreden is, zich onderwerpt en innerlijke rust vindt; en daarom heeft Allah de geduldigen geprezen door te zeggen: (...maar verkondig blijde tijdingenaan de geduldigen 155 En als zij door een (beproevende) ramp worden getroffen, zeggen zij: “Waarlijk, aan Allah behoren wij en het is tot Hem dat wij zullen terugkeren 156) [Al-Baqara:155-156].
De tweede: goede kartereigenschappen in de omgang met de schepping:
Wat betreft goede karaktereigenschappen jegens de schepping; sommigen, waaronder Al-Hasan al-Basri (moge Allah hem genadig zijn), hebben dit gedefinieerd als: Het afzien van kwaad, het verlenen van weldaden, en een glimlach op het gezicht [8]. [8] Ihya' Oeloem Ad-Dien (3/52-53).
Ten eerste: de betekenis van het afzien van kwaad: is dat de mens ervan afziet anderen kwaad te berokkenen, ongeacht of dit kwaad betrekking heeft op bezit, of betrekking heeft op het leven, of betrekking heeft op de eer. Wie niet afziet van het berokkenen van kwaad aan de schepping, heeft geen goede manieren, maar heeft integendeel slechte manieren.
En de Boodschapper (vrede zij met hem) verkondigde de onschendbaarheid daarvan tijdens de grootste bijeenkomst waarin hij met zijn gemeenschap samenkwam, toen hij zei: "Voorwaar, jullie bloed, jullie bezittingen en jullie eer zijn voor jullie verboden, zoals de heiligheid van deze dag, in deze maand, in dit land van jullie" [9]. [9] Overgeleverd door Al-Boekhari in "het Boek van de Hadj", hoofdstuk over de preek tijdens de dagen van Mina, nummer (1741), en door Moeslim in "het Boek van de Qasaamah", hoofdstuk over de verzwaring van het verbod op bloedvergieten, nummer (1679), uit de hadith van Aboe Bakrah, moge Allah tevreden met hem zijn.
Wanneer een man de mensen onrecht aandoet door geld te nemen, of de mensen onrecht aandoet door bedrog, of de mensen onrecht aandoet door verraad, of de mensen onrecht aandoet door slaan en misdrijven, of de mensen onrecht aandoet door gescheld en roddel, dan heeft deze geen goede karaktereigenschappen tegenover de mensen; omdat hij niet heeft afgezien van kwaad jegens hen. En de zonde hiervan wordt groter naarmate het gericht is tegen iemand die een groter recht op jou heeft.
Zo is het slecht behandelen van de ouders bijvoorbeeld ernstiger dan het slecht behandelen van anderen en het slecht behandelen van verwanten is ernstiger dan het slecht behandelen van degenen die verder af staan, en het slecht behandelen van de buren is ernstiger dan het slecht behandelen van degenen die geen buren van jou zijn; daarom zei de Profeet (vrede zij met hem): "Bij Allah, hij gelooft niet, Bij Allah, hij gelooft niet, Bij Allah, hij gelooft niet." Men vroeg: "Wie, O Boodschapper van Allah?" Hij antwoordde: "Degene van wie zijn buurman niet veilig is voor zijn kwaad." [10]. [10] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek Al-Adab, Hoofdstuk: De zonde van degene wiens buurman niet veilig is voor zijn kwaad, nummer (6016), uit de overlevering van Aboe Shoerayh, moge Allah tevreden met hem zijn.
Ten tweede: de betekenis van vrijgevigheid betonen: Met vrijgevigheid wordt hier edelmoedigheid en gulheid bedoeld. Edelmoedigheid beperkt zich, anders dan sommige mensen denken, niet tot het schenken van geld. Zij komt eveneens tot uiting in het inzetten van jezelf, het aanwenden van je aanzien en invloed en het beschikbaar stellen van je vermogen.
Wanneer wij iemand zien die in de behoeften van de mensen voorziet, hen helpt, hun belangen behartigt bij personen tot wie zij zelf geen toegang hebben, zijn kennis onder hen verspreidt en zijn vermogen ten behoeve van hen besteedt, dan omschrijven wij hem als iemand met een goed moreel karakter. Hij betoont immers vrijgevigheid. Daarom heeft de Profeet (vzmh) gezegd: “Vrees Allah, waar je je ook bevindt; en laat een goede daad een slechte volgen, zodat zij die uitwist; en ga met de mensen om op een voortreffelijke wijze, met verheven zeden.” [11]. [11] Overgeleverd door At-Tirmidhi: hoofdstukken over vroomheid en het onderhouden van familiebanden, hoofdstuk over de omgang met mensen (1987), uit de overlevering van Abu Dharr, moge Allah tevreden met hem zijn.
En onderdeel van het omgaan met mensen met goede manieren is: dat wanneer je onrecht wordt aangedaan of slecht wordt behandeld, je vergeeft en kwijtscheldt. En Allah heeft degenen die mensen vergeven geprezen, en Hij zei over de bewoners van het Paradijs: (Degenen die in voor- en tegenspoed besteden, die de woede onderdrukken en die de mensen vergeven, waarlijk, Allah houdt van degenen die het goede doen 134) (Al-Imran:134).
En Allah zegt: (...En dat jullie afstand doen van jullie recht, ligt dichter bij godsvrucht...) [Al-Baqarah:237].
En Allah zegt: (...Laat hen vergeven en het goed maken...) [An-Noer:22].
En Allah zegt: (...Wie echter vergeeft en verzoening tot stand brengt, diens beloning is bij Allah...) [As-Shura:40].
Ieder mens die in contact staat met anderen, zal onvermijdelijk enige vorm van kwaad van hen ondervinden. Zijn houding tegenover dit kwaad dient te zijn dat hij vergeeft en vergiffenis schenkt. En hij dient met absolute zekerheid te weten dat door zijn vergeving, zijn vergiffenis en het vergelden met goedheid, de vijandigheid tussen hem en zijn broeder zal veranderen in een warme vriendschap en verbondenheid. Allah de Verhevene zegt: (De goede daad en de slechte daad kunnen niet gelijk zijn. Vervang (het kwaad) met iets beters dan waarlijk zie je, hij die jouw vijand was, (zal) je hartsvriend (worden) 34) [Foessilat:34].
Sta er eens bij stil, u die vertrouwd bent met de Arabische taal, hoe de gevolgzin wordt ingeleid door het plotselingheidswoord (idha); dit (idha) duidt er immers op dat het beschreven gevolg zich onmiddellijk en onverwacht voordoet. (...dan waarlijk zie je, hij die jouw vijand was, (zal) je hartsvriend (worden) ) Maar niet iedereen is dit gegund. Allah, de Verhevene, zei: (Dit wordt slechts geschonken aan hen die geduldig volharden, en dit valt slechts ten deel aan iemand die met een groot aandeel in het goede is begunstigd 35) [Foessilat:35].
Begrijpen wij hieruit dat het vergeven van de overtreder in absolute zin prijzenswaardig en geboden is? Dit kan uit het vers begrepen worden, maar men dient te weten dat vergeving alleen geprezen wordt wanneer vergeving meer prijzenswaardig is. Als bestraffing meer prijzenswaardig is, dan is bestraffing beter; en daarom zei de Verhevene: (...maar ieder die vergeeft en zich verbetert zijn beloning ligt bij Allah...) [As-Shura:40], Zo heeft Hij vergeving verbonden met verzoening.
Vergeving leidt echter niet altijd tot verbetering. Het is namelijk mogelijk dat de dader die u onrecht heeft aangedaan en zich tegen u heeft misdragen, een man is die bekendstaat om zijn slechtheid en verdorvenheid. Indien u hem zou vergeven, zou hij volharden in zijn slechtheid en verdorvenheid. In een dergelijke situatie is het dan ook beter om hem te straffen voor zijn misdaad, aangezien dit wel bijdraagt aan correctie en verbetering. Sheikh al-Islam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei hierover: "Verzoening is verplicht en vergeving is aanbevolen. Als vergeving echter ten koste gaat van de verzoening, dan betekent dit dat wij een aanbevolen daad voorrang hebben gegeven boven een verplichte daad, en dit is niet in overeenstemming met de Sharia" En hij sprak de waarheid, moge Allah hem genadig zijn.
In dit verband wil ik de aandacht vestigen op een handelwijze die veel mensen uit welwillendheid volgen. Het komt voor dat iemand een ongeval veroorzaakt waarbij een ander om het leven komt. Vervolgens zien de nabestaanden van het slachtoffer af van het bloedgeld dat de veroorzaker hun verschuldigd is. Is het prijzenswaardig dat zij van dit bloedgeld afzien en kan dit als een uiting van een voortreffelijk karakter worden beschouwd, of moet hierin een nader onderscheid worden gemaakt?
Hierin dient onderscheid gemaakt te worden: het is noodzakelijk dat we reflecteren en ons bezinnen over de toestand van deze dader door wie het ongeval is veroorzaakt. Behoort hij tot de mensen die bekendstaan om hun roekeloosheid en onverschilligheid? Is hij van het type dat er niet om geeft - en wij zoeken onze toevlucht bij Allah - om iemand aan te rijden, omdat hij in staat is het bloedgeld te betalen? Of is hij een man door wie dit ongeval heeft plaatsgevonden met volledige voorzichtigheid en volledige beheersing, maar heeft Allah voor alles een voorbeschikking vastgesteld?
Als het van de tweede categorie is, dan is kwijtschelding in zijn geval passender. Echter, vóór de kwijtschelding, zelfs in de tweede categorie, dienen wij op te merken: Heeft de overledene een schuld? Als de overledene een schuld heeft en er is geen mogelijkheid om deze te vereffenen behalve uit het bloedgeld, dan is het niet mogelijk dat wij kwijtschelden; omdat de schuld voorrang heeft op de erfenis. En als we zouden kwijtschelden, dan wordt onze kwijtschelding niet geldig geacht. Dit is een kwestie die veel mensen wellicht over het hoofd zien, en wij zeggen dit; omdat de erfgenamen de aanspraak op dit bloedgeld ontvangen van de overledene die in het ongeval is getroffen, en hun aanspraak ontstaat pas na de schuld. En daarom, toen Allah de erfenis vermeldde, zei Hij: (...Nadat uitvoering is gegeven aan een testamentaire beschikking die hij heeft nagelaten, of nadat een schuld is vereffend...) [An-Nisa:11].
Kortom, tot goede karaktereigenschappen behoort: het vergeven van mensen, en dit valt onder het verlenen van gunsten; want het verlenen van gunsten is ofwel geven, ofwel kwijtschelden, en vergeving behoort tot kwijtschelden.
Ten derde: Een stralend gelaat: doordat men een stralend gelaat heeft, en het tegenovergestelde daarvan is een nors gezicht; en daarom zei de Profeet (vrede zij met hem): "Kleineer geen enkele goede daad, ook al is het je broeder tegemoet treden met een vrolijk gezicht." [12]. [12] Overgeleverd door Moesliem: "Boek van Goedheid en Verwantschap", Hoofdstuk over de Aanbeveling van een opgewekt gezicht bij de ontmoeting, nummer (2626), uit de overlevering van Aboe Dharr (moge Allah tevreden met hem zijn).
Een stralend gezicht brengt vreugde aan degene die je ontmoet en aan degene die zich tot jou wendt. Het leidt tot genegenheid en liefde, en het bewerkstelligt een verruiming van het hart bij jezelf en bij degene die jou ontmoet. Probeer het, en je zult het ervaren.
Maar wanneer je nors bent, keren de mensen zich van jou af en vinden zij geen vreugde in het zitten met jou, noch in het spreken met jou. Bovendien word je mogelijk getroffen door de gevaarlijke ziekte die men hoge bloeddruk noemt. Want de verruiming van de borst en een stralend gelaat behoren tot de meest doeltreffende medicijnen die deze kwaal voorkomen. Daarom adviseren de artsen degene die beproefd wordt door deze ziekte om afstand te nemen van datgene wat hem prikkelt en boos maakt, omdat dit zijn ziekte verergert. Een stralend gelaat verdrijft deze ziekte, omdat de mens hierdoor een verruiming van de borst ervaart en geliefd is bij de mensen.
Dit zijn de drie fundamenten waar goed gedrag in de omgang met de schepping om draait.
En tot de goede kartereigenschappen tegenover de schepping behoort: goed gezelschap met vrienden, verwanten en familie, waarbij men zich niet aan hen ergert en het hen niet moeilijk maakt, maar hen juist vreugde brengt naar zijn vermogen, binnen de grenzen van de wetgeving van Allah. Deze beperking is noodzakelijk, omdat er mensen zijn die zich uitsluitend verheugen in ongehoorzaamheid aan Allah - wij zoeken toevlucht bij Allah -, hiermee stemmen wij dus niet in. Echter, het brengen van vreugde aan degenen die met jou verbonden zijn, zoals familie, vrienden en verwanten, binnen de grenzen van de islamitische wetgeving, behoort tot de goede manieren. En daarom zei de Profeet (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn): "De besten onder jullie zijn degenen die het beste zijn voor hun familie, en ik ben de beste onder jullie voor mijn familie." [13] [13] Overgeleverd door At-Tirmidhi: Boek van de Deugden, hoofdstuk over de voortreffelijkheid van de vrouwen van de Profeet (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn), met nummer (3895), van de overlevering van Aisha (moge Allah tevreden met haar zijn), en overgeleverd door Ibn Majah: Boek van het Huwelijk, hoofdstuk over de goede omgang met vrouwen, met nummer (1977), van de overlevering van Ibn Abbas (moge Allah tevreden met hen beiden zijn).
Veel mensen tonen - tot grote spijt - goede omgangsvormen tegenover de mensen, maar zij tonen geen goede omgangsvormen tegenover hun eigen familie. Dit is een fout en een verdraaiing van de feiten. Hoe kun je immers goede omgangsvormen tonen aan vreemden, terwijl je slechte omgangsvormen toont aan je verwanten?! Men zou kunnen zeggen: 'Omdat ik er geen moeite mee heb om de formaliteiten en beleefdheidsvormen tussen mij en mijn verwanten achterwege te laten, vertoon ik slechte omgangsvormen tegenover hen.' Hierop zeggen wij: Dit is niet juist. Verwanten zijn namelijk de mensen die er het meeste recht op hebben dat jij hun goed gezelschap en vriendelijkheid toont in de omgang; Daarom vroeg een man: ''O boodschapper van Allah, wie heeft het meeste recht op mijn goede gezelschap?' Hij antwoordde: 'Je moeder.' De man vroeg opnieuw: 'En dan wie?' Hij zei: 'Je moeder.' De man vroeg opnieuw: 'En dan wie?' Hij zei: 'Je moeder.' De man vroeg voor de vierde keer: 'En dan wie?' Toen zei hij: 'Je vader' [14]. [14] Overgeleverd door Al-Boekhari in "het Boek van de Goede Karaktereigenschappen", hoofdstuk over wie van de mensen het meeste recht heeft op goed gezelschap, nummer (5971), en door Moeslim in "het Boek van de Vroomheid, de Familiebanden en de Goede Karaktereigenschappen", hoofdstuk over de goedheid jegens de ouders en dat zij hier het meeste recht op hebben, nummer (2548), van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem).
Bij sommige mensen is de situatie echter het tegenovergestelde; je ziet dat hij een slechte behandeling toont jegens zijn moeder en een voortreffelijke behandeling jegens zijn vrouw, waardoor hij voorrang geeft aan de voortreffelijke behandeling van zijn vrouw boven de goede behandeling van zijn moeder.
Kortom: de voortreffelijke behandeling jegens familie, vrienden en verwanten, dit alles behoort tot een goed karaktereigenschap.
En wij dienen in deze zomercentra de aanwezigheid van de jeugd te benutten, zodanig dat wij hen trainen in het vervolmaken van hun karakter, opdat dit centrum een centrum van onderwijzen en onderricht wordt; want kennis zonder onderricht kan meer schade toebrengen dan voordeel opleveren, maar met onderricht zal de kennis leiden tot haar beoogde resultaat. En daarom heeft Allah, de Verhevene, gezegd: (Het betaamt geen mens aan wie Allah het Boek, de wijsheid en het profeetschap heeft geschonken, vervolgens tot de mensen te zeggen: ‘Wees mijn dienaren in plaats van die van Allah.’ Integendeel: ‘Wees toegewijde dienaren van de Heer, doordat jullie het Boek onderwijzen en het ijverig bestuderen 79) [Al-Imran:79].
Het betaamt geen mens aan wie Allah het Boek, de wijsheid en het profeetschap heeft geschonken, vervolgens tot de mensen te zeggen: ‘Wees mijn dienaren in plaats van die van Allah.’ Integendeel: ‘Wees toegewijde dienaren van de Heer, doordat jullie het Boek onderwijzen en het ijverig bestuderen"
We hebben als eerste vermeld dat goede karaktereigenschappen van nature kunnen zijn en aangeleerd kunnen zijn, en dat goede karaktereigenschappen van nature meer volmaakt zijn dan aangeleerde goede karaktereigenschappen, en we hebben hiervoor een bewijs geleverd, en dat is de uitspraak van de Boodschapper (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn) aan Ashajj 'Abd al-Qays: "Integendeel, Allah heeft u deze eigenschap van nature meegegeven.” [15] [15] Overgeleverd door Aboe Dawoed: Boek der Manieren, Hoofdstuk over de stam van de man, nummer (5225), uit de hadith van Zaari', moge Allah tevreden zijn met hem, en hij behoorde tot de delegatie van 'Abd al-Qays, en At-Tirmidhi: Hoofdstukken over Vroomheid en het Onderhouden van Familiebanden, Hoofdstuk over wat is overgeleverd over kalmte en haast, nummer (2011), uit de hadith van Ibn 'Abbas, moge Allah tevreden zijn met hen beiden.
En omdat goede karaktereigenschappen van nature de mens niet verlaten, maar aangeleerde goede manieren de mens in vele situaties kunnen ontgaan, omdat dit praktisering en inspanning vereist, evenals het in gedachten houden hiervan bij de aanwezigheid van alles wat de mens provoceert; En daarom kwam een man naar de Boodschapper van Allah (moge Allah Zijn vrede en zegeningen op hem zijn) en zei: "O Boodschapper van Allah, adviseer mij." Hij zei: "Word niet boos." Hij herhaalde dat meerdere keren, en elke keer zei hij dan: "Word niet boos."[16], En de Profeet (vrede zij met hem) zei: "De sterke man is niet degene die anderen kan overmeesteren; de sterke man is eerder degene die zichzelf onder controle heeft als hij boos wordt"[17]. [16] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van de goede karaktereigenschappen, hoofdstuk over het waken voor woede, nummer (6116), uit de overlevering van Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn met hem). "[17] Overgeleverd door Al-Boekhari in "het Boek van de Goede Karaktereigenschappen", hoofdstuk over het waken voor woede, nummer (6114), en door Moeslim in "het Boek van Vroomheid, Familiebanden en Goede Manieren", hoofdstuk over de verdienste van degene die zichzelf beheerst bij woede, nummer (2609), van Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden zijn met hem).
En 'as-soera'ah': is degene die de mensen overmeestert, net als 'hoemazah' en 'loemazah'. Want 'al-hoemazah' is degene die de mensen belastert, en 'al-loemazah' is degene die de mensen bespot om hun gebreken. Dus de sterke man is niet degene die de mensen overmeestert en hen verslaat. "De sterke man is degene die zichzelf onder controle heeft als hij boos wordt" [18], Dus degene die zichzelf overmeestert en onder controle heeft op het moment van woede, is de ware sterke man, en de zelfbeheersing van de mens op het moment van woede wordt beschouwd als een van de nobele karaktereigenschappen. [18] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van de goede zeden, Hoofdstuk over het waken voor woede, nummer (6114), en Moeslim: Boek van de vroomheid, de familiebanden en de goede zeden, Hoofdstuk over de verdienste van degene die zichzelf beheerst bij woede, nummer (2609), in het verhaal van Aboe Hoeraira, moge Allah tevreden met hem zijn.
Wanneer je boos wordt, handel dan niet naar de woede, maar zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan. En als je staat, ga dan zitten, en als je zit, ga dan liggen, en als de woede toeneemt, verricht dan de rituele wassing totdat deze verdwijnt.
De conclusie is: dat een goed karakter van nature beter is dan een aangeleerd goed karakter; omdat het een natuurlijke aanleg voor de mens is en hem in elke situatie gemakkelijk afgaat, maar het aangeleerde hem in sommige situaties kan ontgaan.
En evenzo zeggen wij: goede karaktereigenschappen kunnen worden verworven, in de betekenis dat de mens zichzelf traint, waardoor de mens goede manieren verkrijgt door bepaalde zaken, waaronder:
Ten eerste: dat men in het Boek van Allah en in de Soennah van Zijn Boodschapper (vrede zij met hem) kijkt: men bekijkt de teksten die wijzen op het prijzen van dat voortreffelijke karakter. En wanneer de gelovige ziet dat de teksten een bepaalde deugd of daad prijzen, dan brengt hij deze in praktijk.
Ten tweede: Dat hij zich omringt met degenen die bekend staan om hun goede gedrag, en de Profeet (vrede zij met hem) wees hierop in zijn uitspraak: "De gelijkenis van een goed gezelschap en een slecht gezelschap is als die van een drager van musk en een smid. De drager van musk kan je kleding parfumeren, je kunt musk van hem kopen, of je kunt gewoon een aangename geur van hem ruiken. Terwijl de smid je kleding kan verbranden, of je zult een onaangename geur van hem ruiken" [19]. [19] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van de slachtingen en de jacht, Hoofdstuk over muskus, nummer (5534), en Moeslim: Boek van vroomheid en familiebanden, Hoofdstuk over de aanbeveling van het gezelschap van de vromen, nummer (2628), in het verhaal van Aboe Moesa al-Ash'ari, moge Allah tevreden met hem zijn.
Het is dan ook aan alle jongeren om zich te omringen met degenen die bekend staan om hun goede karaktereigenschappen en om slechte karaktereigenschappen en lichtzinnige handelingen te vermijden; opdat dit gezelschap voor hen als een leerschool zal dienen die een hulp voor hen zal zijn bij het aannemen van goede eigenschappen.
Ten derde: Dat de mens overdenkt wat de consequenties zijn van zijn slechte gedrag; want degene met slecht gedrag wordt verafschuwd, degene met slecht gedrag wordt gemeden, en degene met slecht gedrag wordt in slechte bewoordingen genoemd. Wanneer de mens weet dat slecht gedrag hem hiertoe leidt, dan zal hij er afstand van nemen.
*
Het goede voorbeeld (vrede zij met hem)
En in de Boodschapper van Allah is voor ons een goed voorbeeld, want de Boodschapper (vrede zij met hem) is de meest voortreffelijke van de schepping in karakter; omdat Allah, de Verhevene, over hem heeft gezegd: (En waarlijk, jij (o Mohammed) hebt een uitmuntend karakter4) [Al-Qalam: 4], De gebeurtenissen en voorvallen die plaatsvonden ten tijde van de Boodschapper (vrede zij met hem) tonen zijn voortreffelijke karakter. Sterker nog, hij (vrede zij met hem) was zelfs tegenover kinderen voortreffelijk in karakter; hij was vriendelijk tegen hen en speelde met ze, en zei tegen een van de kinderen: "O Aboe Oemayr, wat heeft de Noeghayr gedaan?" [20], Aboe ‘Oemayr was de koenya (bijnaam) van een klein kind, en hij had een ‘Noeghayr’, wat een klein vogeltje is zoals een mus. Dit vogeltje was dood gegaan, waardoor de jongen verdrietig en bedroefd werd. De Profeet (vrede zij met hem) sprak hem daarop vriendelijk toe en zei: “O Aboe ‘Oemayr! Wat heeft de vogel gedaan?” [20] Overgeleverd door Al-Boekhari in "het Boek van de Goede Karaktereigenschappen", hoofdstuk over vriendelijkheid tegenover de mensen, nummer (6129), en door Moeslim in "het Boek van de Goede Manieren", hoofdstuk over de aanbeveling van tahniek bij de pasgeborene bij zijn geboorte, nummer (2150), van de hadith van Anas, moge Allah tevreden met hem zijn.
Er kwam eens een bedoeïen die in de moskee urineerde. De mensen wezen hem daarop streng terecht en voeren fel tegen hem uit, maar de Profeet (vzmh) hield hen tegen. Nadat de man klaar was met urineren, gaf de Profeet (vzmh) opdracht een volle emmer water over de urine uit te gieten. Vervolgens liet hij de bedoeïen bij zich komen en zei tegen hem: "Voorwaar, deze moskeeën zijn niet geschikt voor enige vorm van onreinheid of vuil, maar zijn uitsluitend bestemd voor het gebed en het reciteren van de Koran" [21]. Of zoals de Profeet (vrede zij met hem) zei [21] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van de Wassing, hoofdstuk: Het gieten van water over urine, nummer (221), en Moeslim: Boek van de Reinheid, hoofdstuk: De verplichting van het wassen van urine, nummer (285), uit de overlevering van Anas (moge Allah tevreden met hem zijn).
Het goede karakter is in dit verhaal duidelijk, want hij berispte deze bedoeïen niet, noch gaf hij de opdracht om hem te slaan, maar hij liet hem begaan totdat hij klaar was met urineren. Vervolgens informeerde hij hem dat moskeeën niet geschikt zijn voor wat hij deed, maar dat zij uitsluitend bestemd zijn voor het gebed, het gedenken van Allah en het reciteren van de Koran.
Een man kwam naar hem toe tijdens ramadan en zei: "O Boodschapper van Allah, ik ben verloren!!" De Profeet (vrede zij met hem) zei tegen hem: "Wat heeft u dan in het verderf gestort?’ De man antwoordde: ‘Ik heb tijdens de ramadan gemeenschap gehad met mijn vrouw, terwijl ik vastte.’ De Profeet (vzmh) berispte hem niet en voer evenmin tegen hem uit. Hij vroeg hem slechts: ‘Beschikt u over de middelen om een slaaf vrij te laten?’ De man antwoordde: ‘Nee.’ Hij vroeg: ‘Bent u dan in staat twee opeenvolgende maanden te vasten?’ De man antwoordde: ‘Nee.’ Hij vroeg: ‘Beschikt u dan over de middelen om zestig behoeftigen te voeden?’ De man antwoordde opnieuw: ‘Nee.’* Daarop bleef de man zitten. Enige tijd later werd de Profeet (vzmh) een mand met dadels gebracht. Hij gaf die aan de man en zei: ‘Geef dit als liefdadigheid weg.’ De man vroeg: ‘Aan iemand die armer is dan wij? Tussen de twee lavavelden van Medina is er niemand die hieraan meer behoefte heeft dan wij!’ Daarop lachte de Profeet (vzmh) zo breed dat zijn hoektanden zichtbaar werden. Vervolgens zei hij: ‘Ga dan en voed hiermee uw gezin" [22] [22] Overgeleverd door Al-Boekhari: "Boek van het Vasten", Hoofdstuk over wanneer iemand gemeenschap heeft in Ramadan en hij niets bezit, en aan hem liefdadigheid wordt gegeven, laat hem dan boetedoening doen, nummer (1936), en Moeslim: "Boek van het Vasten", Hoofdstuk over de ernst van het verbod op gemeenschap gedurende de dag in Ramadan voor de vastende, nummer (1111), uit de overlevering van Aboe Hoeraira, moge Allah tevreden met hem zijn.
De nobele aard van de Profeet (vrede zij met hem) is in dit verhaal overduidelijk, want hij snauwde deze man niet af, schold hem niet uit en berispte hem niet. Dit kwam door zijn (vrede zij met hem) geduld, verdraagzaamheid en wijsheid. Hij (vrede zij met hem) zag immers dat deze man vol spijt, berouwvol en angstig was gekomen, en oordeelde (vrede zij met hem) daarom dat hij het niet verdiende om berispt te worden, maar dat de waarheid aan hem verduidelijkt moest worden en dat hij met vriendelijkheid behandeld moest worden.
Vraag: Veel mensen beweren dat de mensen in het Westen in hun onderlinge omgang en bij het handeldrijven een hoogstaander moreel gedrag aan de dag leggen. Onder ons moslims daarentegen treft men bedrog en leugenachtigheid aan, evenals het aanprijzen en verkopen van goederen door het afleggen van valse eden. Hoe valt dit te verklaren? En heeft hun industriële beschaving een wezenlijke invloed gehad op de vorming van hun morele gedrag?
Antwoord: De Profeet (vrede zij met hem) zei: "Als mensen zouden worden toegewezen op basis van hun beweringen, zouden sommige mensen de levens en eigendommen van anderen opeisen. Maar bewijslast ligt bij degene die beweert" [23], En wat onder de mensen algemeen bekend is, namelijk dat het Westen goede zeden bezit in de omgang, is niet juist. Zij vertonen immers een slecht gedrag in de omgang dat bekend is bij degenen die naar hen toe zijn gegaan en met een blik van rechtvaardigheid en billijkheid naar hen hebben gekeken, in tegenstelling tot degenen die met een blik van verering en hoogachting naar hen hebben gekeken. De dichter heeft immers gezegd: En het oog van tevredenheid is blind voor elk gebrek *** net zoals het oog van ontevredenheid de tekortkomingen onthult [24]. [24] Zie: Al-Hayawan van al-Jahiz (3/226), Uyun al-Akhbar (3/16) en Al-Iqd al-Farid (2/194). [23] Overgeleverd door Al-Boekhari: Kitaab Tafsier Al-Qoer-aan, hoofdstuk (Voorwaar, degenen die hun beloftes aan Allah en hun eden voor een geringe prijs kopen, voor hen is er geen aandeel...), [Aal 'Imraan: 77], onder nummer (4552), en Moeslim: Kitaab al-Aqdiyah, hoofdstuk al-Yamien 'ala al-Moedda'a 'alayh, onder nummer (1711), uit de hadith van Ibn 'Abbaas (moge Allah tevreden met hen beiden zijn).
Talrijke jongeren die naar het Westen zijn gereisd, hebben mij zelfs verteld over gedragingen die van de meest verwerpelijke moraal getuigen. Wanneer de mensen daar bij koop en verkoop eerlijk handelen, doen zij dat echter niet omdat zij over een hoogstaand moreel karakter beschikken, maar omdat zij het materiële vereren. Hoe eerlijker iemand bij dergelijke transacties handelt, des te meer mensen zich tot hem wenden en des te eerder zij geneigd zijn zijn goederen te kopen en bij anderen aan te bevelen.
Zij doen dat niet omdat zij een volmaakt karakter bezitten, maar omdat zij mensen zijn die uit zijn op materieel gewin. Zij beschouwen het tonen van een goede omgang als een van de grootste promotiemiddelen om hun vermogen te vergroten, om ervoor te zorgen dat deze zaken worden geaccepteerd. En anders zijn zij zoals Allah (de Almachtige en Majesteitelijke) hen heeft beschreven met Zijn uitspraak: (Waarlijk, de ongelovigen van de mensen van het boek en de afgodenaanbidders zullen in het vuur van de hel verblijven. Zij zijn de slechtste schepselen) [Al-Bayyinah: 6], En ik denk niet dat iemand waarachtiger is in zijn beschrijving dan de beschrijving van Allah, de Verhevene, over de ongelovigen; zij zijn namelijk de slechtste der schepselen. En hoe kan men hopen op het goede dat omwille van zichzelf bedoeld is, van een volk dat door Allah is beschreven als de slechtste der schepselen? Ik geloof niet dat dit ooit het geval zal zijn. Maar wat er bij hen wordt gevonden aan eerlijkheid, duidelijkheid en oprechte raad in deze transacties, is bij hen slechts bedoeld omwille van iets anders, en dat is het verkrijgen van aanzien en winst. Want anders, wie hun onrechtvaardigheid, hun wreedheid en hun arrogantie ten opzichte van de schepselen in vele situaties heeft gezien, kent de bevestiging van de uitspraak van de Verhevene: (....Zij zijn de slechtste schepsele)
Wat betreft datgene wat bij veel moslims voorkomt aan bedrog, leugens en verraad in transacties: voorwaar, de Islam en het geloof van deze moslims zijn afgenomen in de mate waarin zij de sharia in deze zaken hebben overtreden.
Het betekent niet dat de overtredingen van sommige moslims en het feit dat zij in dergelijke zaken buiten het kader van de sharia treden, wijzen op een tekortkoming in de sharia. De sharia is immers volmaakt. Deze mensen, die in de eerste plaats zichzelf onrecht aandoen, vervolgens de islamitische sharia, daarna hun medemoslims en ten slotte de niet-moslims met wie zij omgaan; zij hebben in werkelijkheid uitsluitend zichzelf onrecht aangedaan. Een weldenkend mens beschouwt het wangedrag van een individu dan ook niet als een gebrek in de sharia waartoe deze persoon behoort.
En daarom hoop ik dat alle moslims een krachtige campagne voeren ter bestrijding van deze zaken die de Islam niet goedkeurt, zoals leugens, verraad, bedrog, misleiding en dergelijke.
Vraagstuk: Wie van de twee is beter: een man die tekortschiet in het geloof met een goed karakter, of een man die de volmaaktheid benadert in het naleven van de Islamitische wet met een slecht karakter? En wat is de relatie hiervan met zijn uitspraak (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn): "Goede karaktereigenschappen hebben het goede van de wereld en het Hiernamaals verkregen" [25] En in zijn antwoord (vrede zij met hem) aan Oem Salama? [25] Overgeleverd door Abd bin Hoemayd in zijn Moesnad (1210), en Al-Khara'iti in Makarim Al-Akhlaq (50), en At-Tabarani in Al-Kabeer (23/223), uit de overlevering van Anas, moge Allah tevreden over hem zijn.
Antwoord: Het lijdt geen twijfel dat de perfectie van het karakter tot de volmaaktheid van de religie behoort, zoals authentiek is overgeleverd van de Profeet (vrede zij met hem) dat hij zei: "De meest volmaakte gelovigen zijn degenen met het beste karaktereigenschappen" [26]. [26] Overgeleverd door Aboe Dawoed: Boek van de Soenna, Hoofdstuk: Het bewijs voor de toename en afname van het geloof, nummer 4682; en At-Tirmidhi: Boek van borstvoeding, Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het recht van de vrouw op haar man, nummer 1162, uit de overlevering van Aboe Hoerayrah, moge Allah tevreden met hem zijn.
Hieruit volgt dat wie tekortschiet in zijn karaktereigenschappen, ook tekortschiet in zijn godsdienstige leven; de volkomenheid van de godsdienst hangt immers samen met de volkomenheid van het karakter. Zoals wij reeds hebben uiteengezet, komt een goed karaktereigenschap tot uiting in de wijze waarop men zich zowel tegenover de Schepper als tegenover de schepselen gedraagt. Daaruit blijkt dat de vervolmaking van het karakter samengaat met de vervolmaking van de godsdienst. Iemand met een voortreffelijk karakter oefent dan ook een grotere invloed op anderen uit en weet hen eerder voor de Islam en het geloof te winnen dan iemand die wel godsdienstig is, maar een slecht karakter heeft. Wanneer iemand die zich sterk toelegt op de aanbidding tevens de gave van een goed karakter wordt geschonken, bereikt hij daarmee een grotere mate van volkomenheid. Wat echter de onderlinge afweging betreft tussen iemand die uitblinkt in zijn persoonlijke aanbidding maar een slecht karakter heeft, en iemand anders, daarvoor kan geen vaste algemene maatstaf worden gegeven.
Wij vragen Allah ons te doen behoren tot degenen die zich uiterlijk én innerlijk standvastig vasthouden aan Zijn Boek en aan de soenna van Zijn Boodschapper (vzmh); ons in die staat te laten sterven; ons in deze wereld en in het Hiernamaals onder Zijn hoede te nemen; onze harten, nadat Hij ons heeft geleid, niet te laten afdwalen; en ons van Zijn zijde barmhartigheid te schenken. Hij is waarlijk de Schenker van alle gaven.
*
Related books
All books
De belangrijkste lessen voor de gehele gemeenschap40 talenDe belangrijkste lessen voor de gehele gemeenschap
Het boek: De Belangrijke Lessen voor de Gehele Gemeenschap van shaykh ‘Abd al-‘Azîz ibn Baz (moge Allah hem genadig zijn) is een beknopte maar bijzonder waardevolle verhandeling, die de geleerde heeft samengesteld als een solide kennisvoorraad voor alle moslims. In dit werk behandelt hij de fundamenten en pijlers van de godsdienst van eenheidsgeloof, geloof en Islam tot de regels omtrent reinheid en het gebed, evenals de ethiek en gedragsnormen van de Islam. Daarnaast waarschuwt hij duidelijk voor de gevaren van afgoderij en zonden. Dit alles gebeurt in een heldere, toegankelijke stijl,…
De Islam is de godsdienst van de boodschappers van Allah.85 talenDe Islam is de godsdienst van de boodschappers van Allah.
Islam is overgave aan Allah, de Schepper en Bestuurder van het universum, en gehoorzaamheid aan Hem uit liefde en vrees. Het fundament van de Islam is het geloof in Allah, dat Hij de Schepper is en al het andere geschapen is, en dat Hij de enige is die waardig is om aanbeden te worden, zonder deelgenoten. Hij heeft de mooie namen en verheven eigenschappen, en Hij is volmaakt zonder enig tekort. Hij is niet geboren, heeft niet verwekt, en er is niets wat aan Hem gelijk is. Hij neemt geen vorm aan en manifesteert zich in niets van Zijn schepping. De Islam is de godsdienst van Allah, die van de…
الإسلام دين رب العالمين
الشهادتين78 talenالشهادتين
Als je de Islam wilt binnentreden, dien je de volgende geloofsgetuigenis hardop uit te spreken, de betekenis ervan te begrijpen en erin te geloven: Als je de Islam wilt binnentreden, dien je de volgende geloofsgetuigenis hardop uit te spreken: 1. Ashhadoe an la ilaha illa Allah (Deze woorden betekenen dat niemand behalve Allah het recht heeft aanbeden te worden). Ik getuig dat geen God het recht heeft aanbeden te worden behalve Allah, Ashadoe allaa ilaaha illallaah 2. "Wa ashhadoe anna Mohammadan Rasoel Allah, wa anna 'Isa ibn Maryam 'abdoe Allah wa Rasoeloeh" (En ik getuig dat Mohammed de…