المناهج التعليمية - الصف الثاني

المناهج التعليمية - الصف الثاني

Titel: Het leerplan: Het Boek van het Monotheisme (Tawḥied), Niveau Twee.

Language: lang_nl
Prepared by:
Version: 2.1
Translations 4
English Indonesian Dutch Chinese
Attachments 7
PDF
Audio
Video
+3

Titel: Het leerplan: Het Boek van het Monotheisme (Tawḥied), Niveau Twee.

Dit leermateriaal vormt een bewerkte en beknopte weergave van de officiële leerprogramma’s in het Saoedi-Arabië, bestemd voor studenten. Het is onderverdeeld in verschillende niveaus. Een onderdeel van dit leerplan is gewijd aan de studie van dMonotheisme (ʿilm al-tawḥied). Dit vakgebied is opgedeeld in twaalf (12) niveaus. Tot de voornaamste onderwerpen die in het tweede niveau worden behandeld, behoren de drie fundamenten die ieder mens behoort te kennen, namelijk:

1. De kennis van de mens omtrent zijn Heer en de onontkoombare plicht Hem uitsluitend te aanbidden, zonder Hem ook maar iets of iemand ter zijde te stellen.

2. De kennis van de mens omtrent zijn godsdienst en het inzicht dat deze godsdienst uit drie hiërarchische graden bestaat, te weten: De islam, Het geloof (imaan) en de geestelijke volmaaktheid (ihsaan) — met een uiteenzetting van de betekenis van elke graad, evenals de bijbehorende bewijsteksten.

3. De kennis van de mens omtrent zijn Profeet, Mohammed (vrede zij met hem), en de uiteenzetting van de religieuze verplichting tot gehoorzaamheid aan hem en liefde voor hem.

Het tweede niveau

Inleiding

Alle lof zij Allah, Degene Die met de pen heeft onderwezen. Hij heeft de mens datgene onderwezen wat hij niet wist. En de prijzingen en vrede zij met de edele, ongeletterde profeet die Allah heeft gezonden om de mensen uit de duisternissen naar het licht te leiden. Vervolgens:

Want het belijden van de eenheid van Allah, de Verhevene en Verheven is Hij, is de meest dwingende van alle verplichtingen en de kennis ervan is de edelste en voortreffelijkste van alle wetenschappen. Zij vormt het fundament waarop de geldigheid en aanvaarding van de daden berusten. De behoefte van de dienaren hieraan overstijgt elke andere behoefte, want er is geen leven voor de harten, geen ware vreugde en geen innerlijke rust, behalve door de kennis van hun Heer, hun Aanbedene en hun Schepper, door Hem te kennen via Zijn Namen, Zijn Eigenschappen en Zijn Daden. Eveneens behoort het diepgaand begrip van de religie en de kennis van de juiste wijze waarop de vormen van aanbidding worden verricht (zoals de rituele reiniging, het gebed en andere handelingen) tot de tekenen van waar geluk en is het een aanwijzing dat Allah, de Verhevene, Zijn dienaar het goede wil. De Profeet Mohammed (vrede zij met hem) zei: [1] Overgeleverd door Al-Boekhari (nr. 7). "Degene met wie Allah het goede voorheeft, schenkt hij begrip van de religie" [1].

Vanuit dit uitgangspunt heeft het Bureau voor Voorlichting aan Gemeenschappen bijzondere aandacht besteed aan het onderwijzen van het vak Tawḥied, met als doel de correcte geloofsleer diep te verankeren in de harten van de lerenden en hun de fiqh-regels bij te brengen, opdat zij hun vormen van aanbidding verrichten op de wettig voorgeschreven wijze en zich, met licht en inzicht, bewust zijn van de aangelegenheden van hun religie.

Dit niveau van dit vak "at-tawḥīd" omvat een vereenvoudigde uitleg van de niveaus van de religie en haar drie fundamenten, die eenieder dient te kennen.

En aan de leraar worden de volgende adviezen meegegeven:

1- Oprechtheid jegens Allah is een wezenlijke voorwaarde voor de aanvaarding van iedere daad. Maak daarom jouw handelen zuiver en uitsluitend gericht op Zijn verheven Aanschijn; zo zal jij voorspoed oogsten, zowel in dit aardse leven als in het Hiernamaals.

2- Het bewaren van het toevertrouwde is een weg tot heil. En jij — mijn broeder, de leerkracht — bevindt je op een van de voorposten van de Islam en bent belast met een heilig vertrouwen: de geesten en de aangeboren zuiverheid van de kinderen van de moslims. Waak daarom over deze toevertrouwde verantwoordelijkheid, opdat jij het ware welslagen moge bereiken, zowel in dit leven als in het Hiernamaals.

3- Waarlijk, het onderwijzen van de leer van de goddelijke eenheid behoort tot de edelste der werken. Er is geen waarachtig heil voor de dienaren en geen ontkomen aan de vernedering van dit aardse leven en de bestraffing van het Hiernamaals, behalve door de kennis van de eenheid en het handelen overeenkomstig haar beginselen. Span u daarom met toewijding in om de zuivere geloofsleer diep te verankeren in de harten van de lerenden en wees een oprechte vertolker én een levend voorbeeld van de verheven idealen en waarden waartoe gij oproept.

4- Het benutten van de momenten om te spreken over de eenheid van Allah en Zijn almacht, zoals bij het samentrekken van de wolken aan de hemel, het oplichten van de bliksem, het dreunen van de donder en het neervallen van de regen en andere soortgelijke gebeurtenissen die bij de moslim de drijfveren van het geloof aanwakkeren.

5-Het vergemakkelijken van de leerstof door middel van voorbeelden en het koppelen van de les aan de werkelijkheid, heeft een groot effect op de liefde van de leerlingen voor het vak en daarmee op het leren en het ernaar handelen. Tot slot verblijden wij u met de uitspraak van de profeet (vrede zij met hem): "Waarlijk, tot de daden en goede werken van de gelovige die hem na zijn dood volgen, behoort kennis die hij heeft onderwezen en verspreid" [2]. [2] Overgeleverd door Ibn Madjah (nr. 242).

Het vak van At-Tawḥied (de eenheid van Allāh):

Het onderwerp / Pagina

De eerste les: Herhaling van de leerstof die in het eerste niveau is behandeld.

De tweede les: De Drie Fundamenten.

De derde les: Het eerste fundament: het kennen van de Heer door zijn dienaar.

De vierde les: De wijsheid van de schepping van de djinn (geesten) en de mens.

De vijfde les: De verplichting van het aanbidden van Allah alleen.

De zesde Les: De aanbidding van iets anders dan Allah is shirk (afgoderij).

De zevende Les: De tweede fundament: het kennen van de religie door de dienaar.

De achtste les: De religieuze niveaus (het eerste niveau: Al-Islam).

De negende les: De betekenis van de shahadatain (twee geloofsgetuigenissen).

De tiende les: Het tweede niveau: al-iman (het geloof).

De elfde Les: Het geloof in de wederopstanding.

De twaalfde les: Het derde niveau: al-Ihsaan (de perfectie in aanbidding, met het bewustzijn van de aanwezigheid van Allah).

De dertiende Les: Het derde fundament: het kennen van de profeet Mohammed (moge de prijzingen en de vrede van Allāh met hem zijn) door de dienaar.

De eerste Les

Herhaling van de leerstof die in het eerste niveau is behandeld.

1- Wie is jouw Heer?

2- Waar is Allah?

Wie heeft jou geschapen en van levensonderhoud voorzien?

4- Allah, de Verhevene, zei: (Allah is de Schepper van alle zaken...) [Az-Zoemar:62].

Noem drie van de schepselen van Allāh, de Verhevene.

1-............... 2-............... 3-...............

5- Wie doet de regen neerdalen?

6- Naar wie werd de profeet Mohammed (vrede zij met hem) gezonden?

7- Vul de lege plekken in met het juiste woord uit de volgende woorden:

[Mohammed (vzmh) - de Islam - het Vuur - Allah - het Paradijs - de Edele Qurān]

a- Degene die mij geneest als ik ziek ben, is . . . . . . . .

b- Mijn religie is . . . . . . . .

c. Mijn profeet is . . . . . . . .

d- Het boek dat Allah heeft geopenbaard aan Zijn profeet Mohammed (vrede zij met hem), is . . . . . . . .

e- Wie de Boodschapper (vrede zij met hem) gehoorzaamt, zal . . . . . . . . binnengaan, en wie hem (vrede hij met hem) ongehoorzaam is, zal . . . . . . . . binnengaan.

De tweede les [3]

[3] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de drie fundamenten kan opnoemen. - Dat de leerling het bewijs voor de drie fundamenten kan noemen. - Dat de leerling trots is op de islamitische religie.

De Drie Fundamenten [4]

[4] Voor de leerkracht: – Een zorgvuldige introductie van sheikh Mohammed ibn Abd al-Wahhab (moge Allah hem genadig zijn) en een weloverwogen waardering van zijn inspanningen bij de verspreiding van het zuivere monotheïsme (tawhied) in dit land en daarbuiten, op een wijze die aansluit bij het begripsniveau en het intellectuele referentiekader van de leerlingen. Voor wie zich verder wenst te verdiepen, wordt verwezen naar ‘Oenwan al-Majd fi Tarikh Najd van Ibn Bishr en Tarikh Najd van Ibn Ghannam. – Een verheldering van het begrip “oorsprong” (al-asl), namelijk datgene wat het fundament vormt waarop een zaak rust en waarop zij haar bestaansgrond vindt. – Deze drie grondslagen zijn precies de kwesties waarover de dienaar in zijn graf zal worden ondervraagd: Wie is jouw Heer? Wat is jouw godsdienst? En wie is jouw Profeet? Wie hierin het juiste antwoord geeft, zal door Allah worden beloond met de Tuinen van het eeuwige geluk; wie daarin tekortschiet, zal worden vergolden met een pijnlijke bestraffing. Dit is overgeleverd in de hadith van al-Bara’ ibn ‘Azib – Mag Allah tevreden zijn met hem – zoals overgeleverd door Soenan Abi Dawoed, hadith nr. 4753.

De drie fundamenten die eenieder dient te kennen, zijn:

1- Het kennen van de Heer door zijn dienaar. 2- Het kennen van de religie door de dienaar. 3- Het kennen van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) door de dienaar.

De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "Degene die tevreden is met Allah als Heer, de Islam als religie en Mohammed (vrede zij met hem) als profeet, heeft de smaak van het geloof geproefd" [5]. [5] Overgeleverd door Moeslim (nr. 34).

Vragen:

Vraag 1: Vul de volgende lege plekken in:

De drie fundamenten die eenieder dient te kennen:

1- Het kennen van . . . . . . . door zijn dienaar. 2- Het kennen van . . . . . . . door de dienaar. 3- Het kennen van . . . . . . . door de dienaar.

Vraag 2: Wat is het bewijs voor de drie fundamenten die eenieder dient te kennen?

Vraag 3: De dienaar wordt in zijn graf ondervraagd over drie vragen, wat zijn deze:

Wie is jouw Heer? Wat is jouw religie? Wie is jouw profeet?

De derde Les: [6]

[6] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling het eerste fundament van de drie fundamenten noemt. - Dat de leerling de betekenis van de Heer verduidelijkt. - Dat de leerling enkele schepselen van Allāh opnoemt.

Het eerste fundament: Het kennen van de Heer door de dienaar. [7]

[7] Voor de leerkracht: – Het verdient aanbeveling de les buiten het klaslokaal te verzorgen, teneinde bij de leerling het vermogen tot beschouwend en reflectief denken te prikkelen bij het waarnemen van de schepping van Allah, de Verhevene, onder ondersteuning door passende Koranverzen en profetische overleveringen. – Allah, de Verhevene, zegt: (O mensen, aanbidt jullie Heer, Die jullie heeft geschapen en ook degenen die vóór jullie waren, opdat jullie godsvruchtig mogen worden. - Hij is het Die voor jullie de aarde tot een rustbed heeft gemaakt en de hemel tot een gewelf en Die uit de hemel water heeft doen neerdalen, waarmee Hij vruchten heeft voortgebracht als levensonderhoud voor jullie. - Kent dan geen deelgenoten toe aan Allah, terwijl jullie dit weten) (Koran, Al-Baqara 2:21–22) – Ibn Kathir merkt hierover op: “De Schepper van al deze zaken is Degene Die als enige het recht heeft om aanbeden te worden.” – Het verduidelijken dat het nadenken over de schepping van Allah zelf een vorm van aanbidding is, omdat het leidt tot erkenning, nederigheid en innerlijke bewustwording. – Het aanreiken van duidelijke richtlijnen aan de leerlingen om zich tot Allah te wenden in tijden van voorspoed, zoals bij het vragen om nuttige kennis en een zuiver, rechtmatig levensonderhoud, én in tijden van tegenspoed, zoals bij het smeken om genezing van ziekte en het verlichten van benauwdheid en nood. – Het nadrukkelijk aansporen tot dankbaarheid jegens Allah voor Zijn grootse weldaden, waaronder de zon en de maan, die van onschatbare waarde zijn en een diepgaande betekenis en nut hebben voor mens, dier en plant.

De drie fundamenten:

1- Het kennen van de Heer door zijn dienaar. 2- Het kennen van de religie door de dienaar. 3- Het kennen van de profeet (vzmh) door de dienaar.

Mijn Heer is Allah: de Schepper, de Voorziener, de Bestuurder, de Enige Die recht heeft om aanbeden te worden, zonder deelgenoten.

Ik ken mijn Heer door Zijn tekenen en scheppingen, zoals de nacht en de dag, de zon en de maan, en de hemelen en de aarde.

Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (En tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Kniel niet neer voor de zon niet voor de maan, maar kniel voor Allah, Degene Die deze geschapen heeft, als jullie Hem (daadwerkelijk) aanbidden 37). [Foessilat: 37].

Ik ben een moslim en ik geloof dat Allah de schepping heeft geschapen en hen van levensonderhoud voorziet en dat Hij de Bestuurder van dit universum is, de Enige die het recht heeft om aanbeden te worden.

Vragen:

Vraag 1: Wat is de betekenis van Ar-Rab?

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in:

- Ik ken mijn Heer door ............... , en ............... .

Degene Die de nacht en de dag heeft geschapen, is ...............

Vraag 3: Noem drie van de schepping van Allah op.

1- ............... .

2. ............... .

3- ............... .

Vraag 4: Onderstreep de verzen van Allah die in het betreffende Koranvers zijn opgenomen.

De Verhevene heeft gezegd: (Heb jij (o Mohammed) niet gezien dat Allah de nacht doet overgaan in de dag, en de dag doet overgaan in de nacht? En dat Hij de zon en de maan dienstbaar maakte. Eenieder (van hen) draait tot een vastgesteld tijdstip. En dat Allah waarlijk op de hoogte is van dat wat jullie (in het verborgene) doen 29) [Luqman:29].

Vraag 5: De zon en de maan behoren tot de grootse scheppingen van Allah, waarmee Hij ons heeft begunstigd. Noem voor elk van beide één nut of weldadige functie.

De vierde les: [8]

[8] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de wijsheid van de schepping van de djinn en de mens kan verduidelijken. - Dat de leerling de betekenis van de aanbidding kan toelichten.

De wijsheid van de schepping van de djinn en de mens [9]

[9] Voor de leerkracht: – Een passende inleiding op het onderwerp door te verduidelijken dat alles wat Allah heeft geschapen of heeft voorgeschreven, berust op goddelijke wijsheid. Daartoe behoort ook de schepping van de mens: hij is niet zinloos of doelloos geschapen, maar voor een verheven en gewichtige opdracht, namelijk de aanbidding van Allah alleen, zonder enige deelgenoot. Allah, de Verhevene, zegt: (Dachten jullie dan dat Wij jullie zonder doel hebben geschapen en dat jullie niet tot Ons zouden worden teruggebracht?) (Koran, Al-Moe’minoen 23:115) – Het aanreiken van verdere voorbeelden van uiterlijke vormen van aanbidding (handelingen van de ledematen), zoals de liefdadigheidsbijdrage (zakaat), de bedevaart (hadj) en het rituele offer, evenals voorbeelden van innerlijke vormen van aanbidding (handelingen van het hart), zoals liefde, vrees, hoop en andere geestelijke gesteldheden. – Het toelichten dat aanbidding een oorzaak is van innerlijke verruiming en gemoedsrust, zoals Allah, de Verhevene, zegt: (Wie een goede daad verricht, man of vrouw, terwijl hij gelovig is, die zullen Wij voorwaar een zuiver en voortreffelijk leven schenken en Wij zullen hen zeker belonen naar het beste van wat zij plachten te doen) (Koran, an-Nahl 16:97)

Allah heeft de djinn en de mens geschapen om Hem alleen te aanbidden.

Het bewijs daarvoor is de uitspraak van Allah, de Verhevene: (En Ik (Allah) heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij (alléén) te aanbidden). [Adh-Dhariyaat: 56].

Aanbidding is een verzamelnaam voor alle woorden en daden, zowel uiterlijke als innerlijke, die Allah liefheeft en waarmee Hij tevreden is.

En voorbeelden van aanbidding zijn: de liefde voor Allah, de Verhevene, de vrees voor Allah, de smeekbede, het gebed, het vasten en goedheid jegens de ouders.

Aanbidding is een oorzaak voor de verruiming van het hart en gemoedsrust.

Vragen:

Vraag 1: Wat is het grootse doeleinde waarvoor Allah jou heeft geschapen en wat is het bewijs hiervoor?

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in:

- De aanbidding: is een verzamelnaam voor alles wat Allah liefheeft en tevredenstelt, zowel in . . . . . . . . . . . . . . . als . . . . . . . . . . . . . ., zowel . . . . . . . . . als . . . . . . . . . .

- Tot de vormen van aanbidding behoren: het gebed, en . . . . . . . . . . , en . . . . . . . . . . , en . . . . . . . . . .

Vraag 3: De Verhevene heeft gezegd: (Degene die goede daden verricht, man of vrouw en een gelovige is, zullen Wij zeker een goed leven laten leiden. En Wij zullen hen zeker belonen met hun (verdiende) beloning (die) in overeenstemming (zal zijn) met het beste van wat zij deden 97) [An-Naḥl: 97].

Vraag 4: Hoe bereikt men een goed leven?

De vijfde les [10]:

[10] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling op zijn hoede zijn voor shirk (afgoderij), dat het in strijd is met at-tawhied. - Dat de leerling het bewijs noemt voor de verplichting van het toewijzen van de aanbidding aan Allah alleen. - Dat de leerling het grootse belang van at-tawhied verduidelijkt.

De verplichting van het aanbidden van Allah alleen. [11]

[11] Voor de leerkracht: – Het verduidelijken dat de boodschap van alle profeten één en dezelfde is, namelijk: de oproep tot het zuivere monotheïsme (tawhied) en het krachtig afwijzen van afgoderij (shirk). Daarbij kunnen verhalende passages over enkele profeten (vrede en zegeningen zij met hen) worden aangehaald die dit kernpunt illustreren, zoals blijkt uit soera Al-A‘raf en andere hoofdstukken van de Koran. – Het benadrukken van het fundamentele belang van het monotheïsme en het inzichtelijk maken dat er geen weg is naar ware gelukzaligheid, noch in dit wereldse leven noch in het hiernamaals, behalve via dit beginsel. – Het helder uiteenzetten van het ernstige gevaar van afgoderij en dat deze de grootste oorzaak is van ellende in het aardse bestaan en van bestraffing in het hiernamaals. Om die reden smeekte de profeet Ibrahim (vrede zij met hem) zijn Heer met de woorden: (… en houd mij en mijn nakomelingen ver verwijderd van het aanbidden van afgoden) (Ibrahim 14:35) – Het toelichten van enkele vormen van afgoderij, zoals het offeren aan iets of iemand anders dan Allah, het zweren bij iets anders dan Allah en het dragen van amuletten, koorden of kralen en dergelijke, met het doel rampspoed af te wenden of te voorkomen.

Het grootste waartoe Allah heeft bevolen is de at-tawhied, namelijk het aanbidden van Allah alleen.

Het grootste dat Allah heeft verboden is shirk, namelijk het aanbidden van anderen naast Hem.

Het bewijs daarvoor is de uitspraak van Allah, de Verhevene: (Zeg (o Mohammed): “Mij is slechts opgedragen om (alleen) Allah te aanbidden en geen deelgenoten aan Hem toe te kennen...) [Ar-Ra'd: 36].

Vragen:

Vraag 1: Hoe wordt de aanbidding van een ander dan Allah genoemd?

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in:

- Het grootste waartoe Allah heeft bevolen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

- Het grootste dat Allah heeft verboden...

- At-Tawhied is de weg naar gelukzaligheid in . . . . . . . . en het Hiernamaals.

- Shirk is de grootste oorzaak van ellende in het wereldse leven en de bestraffing in . . . . . . .

Vraag 3: Noem een bewijs voor de verplichting dat alleen Allah aanbeden mag worden.

De zesde Les: [12]

[12] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling op zijn hoede is voor shirk (afgoderij). - Dat de leerling enkele vormen van shirk kan noemen. - Dat de leerling kan uitleggen wat het oordeel is over degene die een vorm van aanbidding verricht voor iemand anders dan Allah. - Dat de leerling het bewijs kan noemen dat de aanbidding van een ander dan Allah shirk is.

De aanbidding van iets anders dan Allah is shirk (afgoderij) [13].

[13] Voor de leraar: - Het verduidelijken dat degene die een vorm van aanbidding verricht voor iets of iemand anders dan Allah, zoals smeekbeden, offers, neerknielingen enzovoorts, een afgodenaanbidder en een ongelovige is, zelfs als hij bidt, vast, de ḥadj en 'oemrah (de kleine bedevaart) verricht en beweert een moslim te zijn. - Uitleggen dat sommige van de vroege afgodenaanbidders in de tijd van de boodschapper (vzmh) verschillende vormen van aanbidding verrichtten, maar dat deze hen niet baatten zolang zij shirk pleegden. - Verduidelijken dat de straf voor shirk het eeuwige verblijf in het Vuur is. Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Waarlijk, degene die deelgenoten aan Allah toekent, voor hem heeft Allah het Paradijs zeker verboden en het Vuur zal zijn verblijfplaats zijn. En voor de onrechtplegers zijn er geen helpers) [al-Ma'idah: 72]. - Het uitleggen van de vijandigheid van de Satan jegens de mens en zijn gretigheid om hem in shirk en dwaling te laten vervallen, zodat hij met hem in de Hel zal zijn.

Wie iets anders dan Allah aanbidt, is een afgodenaanbidder.

Voorbeeld:

- Wie iets anders dan Allah aanroept. - En wie een offer brengt voor iets of iemand anders dan Allah.

Allāh, de Verhevene, heeft gezegd: (En aanbid Allah en ken geen enkele deelgenoot aan Hem toe...) [An-Nisaa: 36].

Shirk is een reden voor ellende in dit leven en het Hiernamaals.

Vragen:

Vraag 1: Wie een ander dan Allah aanbidt, is een afgodenaanbidder.

a- Vermeld het bewijs daarvoor.

Geef een voorbeeld hiervan.

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in:

1- De bestraffing van een afgodenaanbidder is het eeuwige verblijf in . . . . . . . . . . .

2- Wie een vorm van aanbidding verricht voor iets of iemand anders dan Allah, zoals de smeekbede, en . . . . . . . . is een afgodenaanbidder.

Vraag 3: Waarom is de Satan gretig om de mensen in shirk te laten vervallen?

De zevende les: [14]

[14] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de niveaus van de religie verduidelijkt. - Dat de leerling de betekenis van de Islam uitlegt. - Dat de leerling trots is op de religie van de Islam.

Het tweede fundament: het kennen van de religie door de dienaar [15]

[15] Voor de leraar: - Het onderhouden van het verankeren van de liefde voor de Islam en het gevoel van trots erop in de harten van de leerlingen. - Het verduidelijken dat de Islam gelukzaligheid, gemoedsrust en innerlijke vrede brengt en dat afgoderij en dwaling tot de grootste oorzaken van innerlijke onrust behoren. Allah, de Verhevene, zei: (En wie Mijn leiding dan volgt, zal niet afdwalen noch ongelukkig zijn. En wie zich afwendt van Mijn gedenking, waarlijk voor hem is er een benauwd leven) [Taha: 123-124]. - Het aanhalen van verhalen van sommigen die de Islam hebben omarmd en daarin innerlijke vrede en gemoedsrust vonden.

De drie fundamenten:

1- De kennis van de dienaar omtrent zijn Heer. 2- De kennis van de dienaar omtrent zijn godsdienst. 3- De kennis van de dienaar omtrent zijn Profeet, Mohammed (vrede zij met hem).

De niveaus van de religie zijn drie:

Het eerste niveau: De Islam.

Het tweede niveau: Het geloof.

Het derde niveau: Al-Ihsaan

De achtste les:

Het eerste niveau: De Islam.

De Islam betekent: De totale overgave aan Allah door middel van at-tawhied (de eenheid van Allāh), zich onderwerpen aan Hem door gehoorzaamheid en het afstand nemen van afgoderij en zijn aanhangers.

* Ik ben een moslim, ik houd van mijn religie, de Islam en ik ben er trots op.

Vragen:

Vraag 1: Verbind elke rang van de religie met wat erbij hoort:

Al-Ihsan

Het tweede niveau.

Al-Iman (het geloof)

Het eerste niveau.

De Islam

Het derde niveau.

Vraag 1: Maak de volgende definitie af:

De Islam betekent: de totale overgave aan Allah door middel . . . . . . . . . . ., zich onderwerpen aan Hem door . . . . . . . . en het afstand nemen van afgoderij en . . . . . . . .

De negende les: [16]

[16] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de vijf pilaren van de Islam kan noemen. - Dat de leerling het oordeel kent over het verrichten van deze vijf pilaren. - Dat de leerling het belang van het gebed toe kan lichten en de verplichting om dit te onderhouden.

De pilaren van de Islam [17]

[17] Voor de leraar: - Het verduidelijken van de betekenis van een pilaar door het voorbeeld te geven van de pilaren van een kamer, om zo uit te leggen dat de Islam slechts kan bestaan en standhouden op vijf pilaren. - Het bevestigen dat de verplichting van deze pilaren van Allah afkomstig zijn, zoals de boodschapper van Allah (vzmh) zei: "De Islam is gebouwd op vijf pilaren ...". Overgeleverd door Moeslim (nr. 16). - Het aansporen tot het verrichten van het gebed op zijn vastgestelde tijden en het uitleggen dat het de eerste daad is waarover een dienaar op de Dag des Oordeels rekenschap moet afleggen, zoals de boodschapper van Allah (vzmh) zei: "Waarlijk, het eerste waarover een dienaar rekenschap moet afleggen op de Dag des Oordeels, is zijn gebed. Als dit in orde is, dan is hij geslaagd en succesvol. En als dit verdorven is, dan is hij verloren en heeft hij gefaald." Overgeleverd door at-Tirmidhi (nr. 413). - Het waarschuwen voor het nalaten van het gebed en het verduidelijken van het ongeloof van degene die het nalaat, zoals de boodschapper van Allah (vzmh) zei: "Het verbond dat tussen ons en hen staat is het gebed; wie het verlaat, heeft zeker ongeloof gepleegd." Overgeleverd door At-Tirmidhi (nr. 2621).

De pilaren van de Islam zijn vijf:

De eerste pilaar: Het getuigen dat er geen God is (Die het recht heeft aanbeden te worden) behalve Allah en dat Mohammed Zijn boodschapper is.

De tweede pilaar: het verrichten van het gebed.

De derde pilaar: het geven van de zakat (arme belasting).

De vierde pilaar: het vasten van de maand Ramadan.

De vijfde pilaar: Het verrichten van de bedevaart naar het Huis (Mekkah) voor wie daartoe in staat is.

De vijf pilaren van de Islam zijn met elkaar verbonden, daarom dient eenieder deze te vervullen om het Paradijs te betreden.

Vragen:

Vraag 1: Wat zijn de pilaren van de Islam?

Vraag 2: Zet een streep onder de pilaren van de Islam:

(Het vasten tijdens de maand Ramadan - goedheid jegens de ouders - het verrichten van de bedevaart naar het Huis (Mekkah) voor wie daartoe in staat is - het reciteren van de Edele Koran - het verrichten van het gebed - de getuigenis dat er geen god is (Die het recht heeft aanbeden te worden) behalve Allah en dat Mohammed Zijn boodschapper is - het geven van de zakat).

Vraag 3: Vul de volgende lege plek in:

De eerste daad waarover de dienaar op de Dag des Oordeels ter verantwoording wordt geroepen . . . . . . . . . . .

De tiende Les: [18]

[18] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de betekenis van "La ilaha illa Allah" kan verduidelijken. - Dat de leerling de betekenis van de getuigenis dat Mohammed (vzmh) Zijn boodschapper is, kan verduidelijken. - Dat de leerling de boodschapper (vzmh) liefheeft en hem gehoorzaamt. - Dat de leerling ervoor moet waken niet in te gaan tegen wat de boodschapper (vzmh) heeft bevolen.

De betekenis van de twee geloofsgetuigenissen (ash-shahadatain) [19]

[19] Voor de leraar: - Het verduidelijken van het grote belang van de twee geloofsgetuigenissen; aangezien men hiermee de Islam binnentreedt. - Het wijzen op het feit dat er naast Allah ten onrechte goden worden aanbeden, zoals degenen die zich met smeekbeden en offers richten tot de graven van de profeten en de vromen. Dit is een grote vorm van afgoderij (shirk), die Allah en Zijn boodschapper (vzmh) hebben verboden. - Het verduidelijken dat het uitspreken van de getuigenis van "La ilaha illa Allah" niemand zal baten, behalve door de kennis van haar betekenis, het handelen in overeenstemming met haar vereisten en de vrijwaring van datgene wat haar tegenspreekt. - Het verduidelijken dat de beste vorm van gedenken "La ilaha illa Allah" is en dat wie als laatste woorden in dit leven "La ilaha illa Allah" heeft, het paradijs zal binnengaan. - Het toelichten van de betekenis van de getuigenis dat Mohammed (vzmh) de boodschapper van Allah is: - Gehoorzaamheid aan hem in wat hij beveelt: het onderhouden van de zuilen en verplichtingen van de Islam, zoals het gebed en andere zaken. - Het geloven in wat hij heeft verklaard: zoals het aanbreken van het Uur, het Paradijs, het Vuur en dergelijke. - Het vermijden van wat hij heeft verboden en streng berispt, dat wil zeggen: de grote en kleine zonden en de grootste van de grote zonden is shirk. - En dat men Allah alleen aanbidt volgens wat Hij heeft voorgeschreven, dat wil zeggen: door middel van de daden van gehoorzaamheid en dat men de religieuze innovaties vermijdt, zoals het vieren van de geboortedag van de profeet. - Het verduidelijken dat een strenge berisping krachtiger is dan een verbod.

De betekenis van de getuigenis "La ilaha illa Allah": er is geen god die het recht heeft aanbeden te worden behalve Allah.

De betekenis van de getuigenis "Mohammed rasoeloe Allah (dat Mohammed de boodschapper van Allah is):

- Gehoorzaamheid aan hem in datgene waartoe hij opdraagt.

- En geloven in datgene wat hij verkondigd heeft.

- En het vermijden van datgene wat hij heeft verboden en berispt.

- En dat Allah alleen aanbeden wordt volgens hetgeen hij voorgeschreven heeft.

* En door de twee getuigenissen betreedt men de religie van de Islam.

Vragen:

Vraag 1: Vul de volgende lege plekken in:

a - Ik ben een moslim en ik getuig dat . . . . . . ., en ik getuig dat . . . . . . .

b - De betekenis van La ilaha illa Allah . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

c- De allerbeste gedenking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Vraag 2: Wat betekent de getuigenis, dat Mohammed de boodschapper van Allah is?

Vraag 3: Schrijf drie zaken op die de boodschapper van Allah (vzmh) ons heeft opgedragen:

1- Het verrichten van het gebed 2- ...............

3- ............... 4- ...............

De elfde Les: [20]

[20] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling het oordeel over het geloof in deze pilaren kan vermelden. - Dat de leerling de zes pilaren van het geloof kan opnoemen. - Dat de leerling kan verduidelijken dat het geloof een uitspraak, daad en overtuiging is.

Het tweede niveau: Al-Iman (Het Geloof) [21]

[21] Voor de leraar: - Het verduidelijken van de betekenis van het geloof: dat het bestaat uit een overtuiging in het hart, een uitspraak met de tong en het handelen met de ledematen. - Het uitleggen van de bekende hadith van Jibriel, waarin staat: "Vertel mij dan over het geloof." Hij zei: "Dat je gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers, de Laatste Dag en in de voorbeschikking, het goede en het kwade ervan." Overgeleverd door Moeslim (nr. 8). - Het verduidelijken dat het geloof in de zes pilaren gelukzaligheid brengt in dit leven en het Hiernamaals. - Het uitleggen dat tot de tekenen van het geloof behoren: liefde voor Allah en gehoorzaamheid aan Hem. - Het bewustzijn van de toezicht van Allah in het verborgene en in het openbaar. - Het memoriseren van de Koran en het overpeinzen ervan en ernaar handelen. - Zich voorbereiden op de Laatste Dag door middel van goede daden verrichten. - Tevreden zijn met het goddelijk besluit en de voorbeschikking. - Het noemen van de namen van enkele profeten, engelen en boeken die Allah heeft geopenbaard. - De leerling enkele uitdrukkingen leren die duiden op geloof in het goddelijk besluit en de voorbeschikking, zoals: (Allah heeft het voorbeschikt en Hij doet wat Hij wil). - Het uitleggen van de verplichting om in deze zes pilaren te geloven en dat degene die er één van ontkent, ongeloof heeft gepleegd.

De pilaren van het geloof zijn zes:

1- Het geloof in Allah.

2- En Zijn engelen

3- En Zijn boeken

4- En Zijn profeten

5- En de laatste dag.

6- En de voorbeschikking, zowel het goede als het kwade ervan.

* Het geloof in de zes pilaren verwezenlijkt het geluk in zowel het wereldse als het Hiernamaals.

Vragen:

Vraag 1: Hoeveel pilaren heeft het geloof?

Vraag 2: Schrijf het juiste nummer bij elke pilaar in de cirkel:

Het geloof in Allah ( ). Het geloof in de Laatste Dag ( ).

Het geloof in de voorbeschikking, zowel het goede als het kwade ervan. Het geloof in de engelen ( )

Het geloof in de boodschappers ( ). Het geloof in de geopenbaarde Boeken ( ).

Vraag 3: De Verhevene heeft gezegd: (Hij heeft jullie met betrekking tot de religie datgene voorgeschreven wat Hij (ook) aan Noeḥ heeft bevolen, en (ook) datgene wat Wij (o Mohammed) aan jou hebben geopenbaard. En wat Wij Ibrahiem, Moesa en 'Isa hebben bevolen..." [Ash-Shoera: 13], en de Verhevene, heeft gezegd: (Mohammed is de boodschapper van Allah...) [Al-Fatḥ: 29].

Vraag 4: Haal uit dit vers de namen van de profeten die erin genoemd worden:

1- . . . . . . . . . 2- . . . . . . . . .

3- ............... 4- ...............

5- ...............

De twaalfde les: [22]

[22] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de betekenis van de wederopstanding kan uitleggen. - Dat de leerling het oordeel over het geloof in de wederopstanding kan verduidelijken. - Dat de leerling het oordeel kan verduidelijken over degene die de wederopstanding ontkent.

Het geloof in de wederopstanding [23]

[23] Voor de leerkracht: – Het ondubbelzinnig vaststellen van de verplichting tot geloof in de Laatste Dag, alsook in de opstanding, de afrekening en de vergelding; daarbij wordt aandacht besteed aan enkele ontzagwekkende taferelen van die Dag, en aan Allah’s beschermende zorg voor Zijn gelovige dienaren. Ter illustratie kan worden verwezen naar verzen uit de soera’s die reeds zijn behandeld, zoals: (Wat betreft degene die zijn boek in zijn rechterhand ontvangt: hij zal worden onderworpen aan een milde en gemakkelijke afrekening) (Al-Inshiqaq 84:7–8) – Het verankeren van innerlijke voorbereiding op wat na de dood komt in het bewustzijn en de belevingswereld van de leerlingen. – Het bevestigen van de werkelijkheid van de opstanding uit de graven na de dood en het benadrukken van de majesteit en de onbegrensde macht van Allah die dit alles mogelijk maakt.

Tot het geloof in de Laatste Dag behoort het geloof in de wederopstanding.

De betekenis van de wederopstanding: dat Allah de mensen na hun dood doet herleven en hen uit hun graven haalt voor de afrekening en beloning.

Het oordeel over het geloof in de wederopstanding: verplicht, De Verhevene heeft gezegd: (Daaruit (d.w.z. uit aarde) hebben Wij jullie geschapen. En daarin laten Wij jullie terugkeren. En daaruit zullen Wij jullie nogmaals voortbrengen 55) [Taha: 55]

Het oordeel over wie de wederopstanding loochent: een ongelovige in Allah, de Verhevene, is.

* Wie zijn boek op de Dag des Oordeels in zijn rechterhand ontvangt, behoort tot de winnaars en zijn afrekening zal gemakkelijk zijn; en wie zijn boek in zijn linkerhand ontvangt, behoort tot de verliezers, en zijn afrekening zal zwaar zijn.

Vragen:

Vraag 1: Wie wekt de mensen na hun dood tot leven?

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in:

Het geloof in de wederopstanding . . . . . . . . . . en het oordeel over wie het ontkent . . . . . . . . .

Vraag 3: Voltooi de volgende woorden van Allah: (Daaruit hebben Wij jullie geschapen . . . . .)

Vraag 4: Tot het vermogen van Allah, de Verhevene, behoort dat Hij de mensen na hun dood tot leven wekt voor een grootse zaak, namelijk . . . . .. . . .

De dertiende les [24]:

[24] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de betekenis van al-Ihsan (de perfectie in aanbidding, met het bewustzijn van de aanwezigheid van Allah) kan verduidelijken. - Dat de leerling een bewijs voor al-Ihsan noemt. - Dat de leerling ernaar streeft om de aanbidding met ikhlaṣ (zuivere toewijding) te verrichten.

Het derde niveau: al-Ihsāa (de perfectie in aanbidding, met het bewustzijn van de aanwezigheid van Allah) [25]

[25] Voor de leraar: - Het verduidelijken van het niveau al-Ihsan (de perfectie in aanbidding, met het bewustzijn van de aanwezigheid van Allah) het hoogste niveau van de religie is. - Het uitleggen dat het perfectioneren in het verrichten van de aanbidding een vorm van al-Ihsan is. - Het aansporen tot het bewustzijn van het toezicht van Allah op Zijn dienaren. Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Waarlijk, Allah ziet voortdurend op jullie toe). [An-Nissa: 1]. - Het noemen van enkele verhalen van de rechtschapenen over bewustzijn van het toezicht van Allah, zoals het verhaal van 'Omar ibn al-Khattab (moge Allah tevreden met hem zijn) met het meisje dat weigerde de melk met water te mengen uit vrees voor Allah, de Verhevene.

Al-Ihsn is: het aanbidden van Allah alsof je Hem ziet en als je Hem niet ziet, weet dan dat Hij jou wel ziet.

En het bewijs is, de uitspraak van Allah, de Verhevene: (Waarlijk, Allah is met degenen die (Allah) vrezen, en degene die weldoeners zijn 128) [An-Naḥl: 128].

* Ik ben me voortdurend bewust van het toezicht van Allah en en onthoud mij daarom van iedere zonde, zowel in het verborgene als in het openbaar.

* Ik verricht de aanbiddingen voor het welbehagen van Allah.

Vragen:

Vraag 1: Vul de volgende lege plekken in:

- Al-Iḥsan: Is dat je . . . . . .. . . . alsof je Hem ziet, en als je Hem niet . . . . . .. . . .

Weet dan dat Hij jou wel ziet.

- Het derde niveau van de religie is . . . . . . . . . . . . . . . en het is het hoogste (niveau).

Vraag 2: Noem een bewijs voor al-ihsan?

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Vraag 3: De gelovige met een volledig geloof steelt niet, zelfs als niemand hem ziet. Waarom?

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De veertiende les: [26]

[26] Leerdoelen van de les: - Dat de leerling de stamboom van de boodschapper Mohammed (vzmh) kan noemen. - Dat de leerling de boodschapper van Allah (vzmh) liefheeft en hem gehoorzaamt. - Dat de leerling een bewijs kan noemen dat de profeet Mohammed (vzmh) de zegel (laatste) der profeten is. - Dat het gebed van Allzh: het prijzen is van de dienaar in het hoogste gezelschap is.

Het derde fundament: Het kennen van de profeet Mohammed (vzmh) door de dienaar. [27]

[27] Voor de leraar: - Het eerste en tweede fundament kort herhalen en deze koppelen aan het derde fundament. - Het inleiden van de les door de staat van onwetendheid en dwaling te verduidelijken waarin veel mensen verkeerden vóórdat de boodschapper (vzmh) werd gestuurd. - Het verduidelijken van de edele stamboom van de boodschapper (vzmh). - Het verduidelijken van de betekenis van 'zegel der profeten', oftewel: de laatste van hen, en dat er geen profeet na hem komt. - De verplichting om de boodschapper (vzmh) lief te hebben zonder hierin te overdrijven, zoals het aanroepen van hem (vzmh) of het zoeken van hulp bij hem (vzmh). - Het verduidelijken dat de liefde voor de boodschapper (vzmh), hem gehoorzamen en het volgen van zijn voorbeeld in woord en daad vereist is. - Het aansporen van de leerling om de smeekbede van het gebed (prijzingen) uit te spreken voor de profeet (vzmh) vanwege de grote beloning die dit het met zich meebrengt, in het bijzonder bij het noemen van zijn naam.

De drie fundamenten:

1- De kennis van de dienaar omtrent zijn Heer. 2- De kennis van de dienaar omtrent zijn religie. 3- De kennis van de dienaar omtrent de Profeet Mohammed (vrede zij met hem).

Mijn profeet is Mohammae (vrede zij met hem) de zoon van 'Abdoellah, de zoon van Abdoel-Muttalib, de zoon van Hashim, en Hashim behoort tot de stam van Qoeraysh, en Qraysh behoort tot de Arabieren.

Mijn profeet Mohammed (vrede zij met hem) is de zegel (laatste) der profeten.

En het bewijs daarvoor is, de uitspraak van Allah, de Verhevene: (Mohammed is geen vader van één van jullie mannen, maar (hij is) de boodschapper van Allah, en de zegel der profeten. En Allah is op de hoogte van alles 40) [Al-Ahzaab: 40].

Het oordeel over het liefhebben en gehoorzamen van hem (vrede zij met hem): is verplicht voor iedere moslim.

Ik heb de profeet Mohammed (vzmh) lief en ik gehoorzaam hem.

Vragen:

Vraag 1: Vul de volgende lege plekken in:

a- Mijn profeet Mohammed (vrede zij met hem), zoon van . . . . . . . . . . zoon van 'Abd al-Moettalib, zoon van . . . . . . . . . . .

b- Het oordeel over het liefhebben en gehoorzamen van de profeet Mohammed (vzmh) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

c- De zegel der de profeten is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

d- Ik heb de boodschapper (vzmh) lief en . . . . . . . . . en ik streef ernaar zijn woorden te volgen en . . . . . . . . . .. . .

Vraag 2: De profeet (vzmh) heeft gezegd: “Vermenigvuldigt het uitspreken van zegeningen over mij op de dag van vrijdag en in de nacht van vrijdag; want wie eenmaal zegeningen over mij uitspreekt, over die spreekt Allah tienvoudig Zijn zegeningen uit.” [28]. [28] Overgeleverd door Al-Bayhaqi in zijn Soenan (3/249).

Lees de ḥadith (overlevering) en beantwoord het volgende:

a. Op welke dag wordt het aanbevolen om overvloedig zegeningen en vrede uit te spreken over de Boodschapper van Allah, Mohammed (vrede zij met hem)?

b- Werk samen met je leerkracht om een verhaal te vertellen dat de liefde van de metgezellen – Mag Allah tevreden zijn met hen – voor de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) tot uitdrukking brengt.

Dit boek behandelt het vak fiqh op het tweede niveau. Het biedt een heldere uiteenzetting van de etiquette rond het verrichten van de behoefte, evenals de wijze van reiniging (istinjaʾ en istijmar). Daarnaast bespreekt het de correcte uitvoering van de wassing (woeḍoe) en de handelingen die deze ongeldig maken, het aantal verplichte gebeden en hun respectieve gebedseenheden (rakʿaat). Voorts bevat het een toelichting op de tashahhoed, het Ibrahim-gebed en de smeekbeden bij de opening van het gebed, aangevuld met praktische oefeningen ter herhaling en verdieping.

Titel: Leerplannen – de rechtswetenschap van de fiqh – niveau twee.

Deze leerstof vormt een bewerkte en beknopte versie van de studieprogramma’s die in het Koninkrijk Saoedi-Arabië voor leerlingen zijn ontwikkeld. Zij is onderverdeeld in verschillende niveaus. Binnen dit leerprogramma bevindt zich tevens een onderdeel dat gewijd is aan de studie van de rechtswetenschap van de fiqh. Dit onderdeel is opgedeeld in twaalf (12) niveaus.

1- Het bespreken van de etiquette van het verrichten van de behoefte, en het uitleggen van de betekenis van al-istindjā’ (reiniging van de private delen met water) en al-istidjmār (reiniging van de private delen zonder watergebruik), met aandacht voor de situaties waarin al-istidjmār is toegestaan en datgene waarmee het niet is toegestaan.

2- Het verduidelijken van de wijze van Woeḍoe (rituele kleine wassing) en de zaken die deze ongeldig maken.

3- Het uitleggen van het aantal verplichte gebeden gedurende dag en nacht, en het aantal raka'āt (gebedseenheden) van elk gebed.

4- Een uiteenzetting van de wijze waarop de tashahhoed wordt verricht, evenals van de Ibrahimitische zegenbede.

Het tweede niveau

De eerste les [1]

[1] Voor de leerkracht: - Benadruk het belang van het zorgvuldig reinigen van de beide uitscheidingsopeningen (die van urine en ontlasting) onmiddellijk na het verrichten van de behoefte. - Wijs de leerlingen op de situaties waarin het gebruik van istijmār (reiniging met geschikte vaste materialen) is toegestaan. - Vestig de aandacht op het gebruik van de linkerhand bij zowel istinjāʾ (reiniging met water) als istijmār en op het grondig wassen van de handen nadien. - Geef voorbeelden van voorwerpen waarmee het niet is toegestaan istijmār te verrichten.

De reiniging met water (istinjāʾ) en de reiniging met geschikte vaste materialen (istijmār). [2] [2] Lesdoelstellingen: - Dat de leerling kan benoemen wat men dient te doen nadat men zijn behoefte heeft verricht. - Dat de leerling het begrip kan definiëren van istinjāʾ (reiniging met water) en istijmār (reiniging met geschikte vaste materialen). - Dat de leerling drie voorbeelden kan opsommen van materialen waarmee istijmār is toegestaan.

Urine en ontlasting zijn onrein en verontreinigen het lichaam; daarom is het verplicht zich daarvan te reinigen na het verrichten van de behoefte.

Al-istindjā’ is:

Het reinigen van de private delen met rein water, totdat de onreinheden verwijderd zijn.

Al-istidjmār is:

Het reinigen van de private delen met toiletpapier of stenen, totdat de onreinheden verwijderd zijn.

Vragen:

Vraag 1: Wat dien je te doen na het verrichten van de behoefte?

Vraag 2: Maak het volgende af:

A: Al-istindjā’ is: . . . . . . . . . . . . . . . .

B: Al-istidjmār is: . . . . . . . . . . . . . . . .

Vraag 3: Kies het juiste antwoord:

A: Het is toegestaan om al-istidjmār te verrichten met:

( ) Stenen. ( ) Water. ( ) Toiletpapier.

B: Tot de onreine zaken behoort:

( ) Urine. ( ) Zweet. ( ) Speeksel.

C: Men verwijdert de onreinheden op een kledingstuk met:

( ) Stenen. ( ) Water. ( ) Aarde.

Vraag 4: Maak de lege plekken af met wat passend is:

Het verwijderen van de onreinheden van de uitgang van urine of ontlasting gebeurt met:

Water, of ............................, of .........................

Vraag 5: Schrijf de volgende zinnen op:

- Na het verrichten van de behoefte reinig ik de uitgang van de urine en ontlasting, vervolgens begin ik met de woeḍoe (rituele kleine wassing).

-........................................................

-........................................................

- Ik was mijn handen grondig na het verrichten van de behoefte.

-........................................................

-.........................................................

- Ik spreek niet tijdens het verrichten van de behoefte.

-........................................................

-........................................................

* Waak over deze twee gedenkingen:

1- Bij het betreden van het toilet zeg ik:

"Bismillāh" (in naam van Allah), "O Allāh, ik zoek toevlucht bij U tegen de mannelijke en vrouwelijke duivels" [3]. [3] Overgeleverd door Al-Boekhari (nr. 142), en voor de toevoeging van "In naam van Allah", zie: Fatḥ al-Bārī (1/244).

2- Bij het verlaten van het toilet zeg ik: Ghoefrānak (ik vraag Uw vergiffenis)[4]. [4] Overgeleverd door At-Tirmidhī (nr. 7).

De tweede les [5]

[5] Voor de leerkracht: - Leg uit dat Allah degenen liefheeft die zich reinigen. - Wijs de leerlingen erop dat zij geen overmatig gebruik van water maken, aangezien water een gunst is die zorgvuldig moet worden bewaard. - Verduidelijk dat het volgens de soenna aanbevolen is de ledematen driemaal te wassen, terwijl het hoofd samen met de oren eenmaal wordt afgeveegd. - Leg de betekenis uit van al-madmadah, al-istinshāq en al-istinthār: - Al-madmadah (de mondspoeling): het laten rondgaan van water in de mond. - Al-istinshāq: het in de neus opnemen van water door het met de adem naar binnen te trekken, zodat hetgeen zich in de neus bevindt wordt verwijderd. Al-istinthār: het uitblazen van het water uit de neus met de adem na het verrichten van al-istinshāq. Draag alle leerlingen op de wassing (woedoe) praktisch uit te voeren, zodat kan worden nagegaan of zij deze correct beheersen. Laat de leerkracht zich daarbij verheugen over de grote beloning die verbonden is aan het onderwijzen van leerlingen in de wijze waarop de rituele wassing en het gebed worden verricht; want wie kennis onderwijst, ontvangt een beloning telkens wanneer er naar die kennis wordt gehandeld.

De wijze van het verrichten van de woeḍoe (rituele kleine wassing) [6]

Doelstellingen van de les: - Dat de leerling het plaatsbegrip van de intentie nauwkeurig kan vaststellen. - Dat de leerling de eigenschap van het rituele wassing verrichten (woedoe) correct kan toepassen. - Dat de leerling het onderscheid kan maken tussen de ellebogen en de handen.

Ik richt mijn intentie tot het verrichten van de wassing (woedoe) in mijn hart en handel vervolgens als volgt:

1- Ik zeg: "Bismillaah" (In naam van Allah).

2- Ik was mijn handen driemaal [tot aan de pols].

3- Ik spoel mijn mond, brengen water in de neus door het op te snuiven en snuit het uit, driemaal.

4- Ik was mijn gezicht driemaal.

5- Ik was mijn handen vanaf de vingertoppen tot aan de ellebogen, driemaal.

6- Ik veeg één keer over mijn gehele hoofd (d.w.z. haren), inclusief mijn oren.

7- Ik was mijn rechtervoet tot aan de enkels driemaal en vervolgens de linkervoet eveneens.

Is het toegestaan de voeten voor de handen te wassen?

Dit is niet toegestaan, omdat de volgorde verplicht is, zoals ik die heb genoemd in de beschrijving van mijn woeḍoe.

* Als ik mijn gezicht en handen heb gewassen en vervolgens ben ik de telefoon gaan beantwoorden, wat enige tijd in beslag nam. Daarna keerde ik terug en streek ik over mijn hoofd en oren. Is mijn woeḍoe correct?

Deze woeḍoe is incorrect, omdat het verplicht is dat alle ledematen kort na elkaar gewassen dienen te worden.

Vragen:

Vraag 1: Waar bevindt zich de plaats van de intentie?

Vraag 2: Maak de volgende zinnen af:

- Ik was mijn handen [tot aan de pols], vervolgens spoel ik mijn mond en . . . . . . . . . . . en . . . . . . . . . . .

- Ik was mijn rechtervoet tot aan ..........................., vervolgens ...........................

Vraag 3: Verbind het woord in kolom (A) met wat erbij past in kolom (B):

Kolom (A): Ik was – Ik was - Ik veeg

Kolom (B): Mijn hoofd – Mijn gezicht - Mijn voet

Vraag 4: Kies het laatste wat je verricht in de woeḍoe:

Het wassen van de handen - het wassen van de voeten - het vegen over het hoofd - het wassen van het gezicht.

Vraag 5: Rangschik de ledematen van de woeḍoe door het nummer op de juiste plaats te zetten:

De voeten - De handen [t/m de ellebogen] - Het hoofd - Het gezicht - De handen [tot de pols].

Vraag 6: Plaats het teken (juist) bij het juiste antwoord en het teken (fout) bij het foute antwoord.

- Ik was mijn rechtervoet voor mijn rechterhand ( )

- Ik veeg over mijn hoofd na het wassen van mijn voeten ( )

- Ik was mijn gezicht, daarna mijn hand ( )

Vraag 7: Schrijf de volgende zinnen op:

- Ik laat geen enkel deel van de lichaamsdelen die tot de wassing (woedoe) behoren onbevocht door het water.

-........................................................

-........................................................

- Ik verricht de woeḍoe opeenvolgend tussen de ledematen zonder uitstel.

-........................................................

-........................................................

- Ik rangschik de ledematen van de woeḍoe.

-........................................................

-........................................................

De derde les [7]

[7] Voor de leraar: - Het verduidelijken van de betekenis van de ongeldigmakende zaken van de woeḍoe. - Het uitleggen van het oordeel over degene die kamelenvlees heeft gegeten en dit pas na het beëindigen van het gebed wist, namelijk dat hij het gebed opnieuw moet verrichten.

Nietigmakende zaken van de woeḍoe [8]

[8] Leerdoelen: - Dat de leerling de ongeldigmakende zaken van de woeḍoe kan noemen. - Dat de leerling kan uitleggen wat er gedaan dient te worden bij het verbreken van de woeḍoe.

* De woeḍoe wordt verbroken door meerdere zaken, waaronder:

1- Hetgeen de urine- en ontlastingsuitgang verlaat (urine, wind/gas, ontlasting).

2- Het slapen.

3- Het eten van kamelenvlees.

* Als je woeḍoe verbreekt door een van deze zaken, dan is het verplicht om de woeḍoe opnieuw te verrichten.

Vragen:

Vraag 1: Onderstreep de zaken die de woeḍoe verbreken:

(Het lachen - Het slapen - Het spreken - Uitscheidingen uit de urine- en ontlastingsuitgang - Het eten van kamelenvlees).

Vraag 2: Ik heb de woeḍoe verricht en daarna schapenvlees gegeten, verbreekt dit mijn woeḍoe? En waarom?

Vraag 3: Je stond op om het gebed te verrichten en je woeḍoe verbrak. Wat dien je te doen?

Kies het passende antwoord door het teken (juist) te plaatsen.

( ) Opnieuw het gebed en de woeḍoe verrichten. ( ) Opnieuw de woeḍoe verrichten.

Vraag 4: Je hebt vlees gegeten en kwam er pas na het beëindigen van het gebed achter dat het kamelenvlees was.

Wat doe je? (Schrijf het antwoord op) . . . . . . . . . . . . . .

Vraag 5: Schrijf de volgende zin op:

- Ik verricht de woeḍoe opnieuw wanneer deze wordt verbroken.

-........................................................

-........................................................

De vierde Les [9]

[9] Voor de leraar: - Het verduidelijken van de plaats van de du'ā al-Istiftāḥ (openingssmeekbede) en dat deze enkel in de eerste rak'ah van het gebed wordt gezegd. - Het uitleggen van de betekenissen van de du'ā al-Istiftāḥ, namelijk: "Subḥānak Allāhumma wa biḥamdik": d.w.z. ik verklaar U vrij, O Allah, van datgene wat U niet past aan tekortkomingen en onvolmaaktheden. "wa biḥamdik": d.w.z. ik heb U geprezen. "tabāraka smoek": d.w.z. Uw zegeningen zijn overvloedig. "wa ta'ālā jaddoek": d.w.z. Uw status is verheven en groots. "wa lā ilāha ghairoek": d.w.z. er is geen God die het recht heeft aanbeden te worden behalve U.

Du'ā al-Istiftāḥ (de openingssmeekbede) [10]

[10] Leerdoelen: - Dat de leerling de du'ā al-Istiftāḥ kan opzeggen. - Dat de leerling de plaats van de du'ā al-Istiftāḥ in het gebed kan aangeven.

* Tot de voorgeschreven smeekbeden in het gebed behoort het zeggen van de du'ā al-Istiftāḥ (de openingssmeekbede), namelijk:

"Subḥānak Allāhumma wa biḥamdika, wa tabāraka smoeka, wa ta'ālā jaddoeka, wa lā ilāha ghairoek". (Vrij bent U van alle tekortkomingen en lof zij U. Gezegend is Uw naam en verheven is Uw status. Er is geen God [die het recht heeft aanbeden te worden] dan U).

* Deze smeekbede wordt gezegd na de takbīrat al-iḥrām (de openingstakbīrah).

Vragen:

Vraag 1: Vul de lege plekken in met het passende woord:

(dan U - Uw naam - Uw status - en lof zij U).

Vrij bent U van alle tekortkomingen, . . . . . . . . Gezegend is . . . . . . . . en verheven is . . . . . . . Er is geen God [die het recht heeft aanbeden te worden] . . . . . .

Vraag 2: Wat is de plaats van de du'ā al-Istiftāḥ?

Vraag 3: Kies het juiste antwoord:

Ik spreek de du'ā al-Istiftāḥ uit:

( ) na het reciteren van al-Fātiḥah. ( ) na de takbīrat ul-iḥrām (openingstakbīrah).

Vraag 4: Kies het passende woord en plaats het in de lege plek:

(De derde, de vierde, de eerste).

De takbīrat ul-iḥrām (de openingstakbīrah) is de takbīr . . . . . . . . in het gebed.

Vraag 5: Vermeld de openingssmeekbede.

Vraag 6: Plaats het teken (/) en het teken (×) op de juiste plaats:

- Ik zeg de openingssmeekbede in elke rak'ah ( ).

- De openingssmeekbede wordt in de eerste rak'ah gezegd ( ).

Vraag 7: Schrijf de volgende zin op:

- Ik zeg de openingssmeekbede na de takbīrat ul-iḥrām.

-........................................................

-........................................................

De vijfde les [11]

[11] Voor de leraar: - Het koppelen van het onderwerp gebed met de vijf pilaren van de Islam. - Het aansporen van de leerlingen om de vijf gebeden te onderhouden op hun vastgestelde tijden; omdat het een pilaar van de Islam is en degene die het verlaat, is waarlijk in ongeloof vervallen, zoals de boodschapper van Allah (vzmh) heeft gezegd: "Het verbond dat tussen ons en hen is, is het gebed. Degene die het verlaat, heeft waarlijk ongeloof gepleegd." Overgeleverd door at-Tirmidhī (nr. 2621).

De verplichte gebeden [12]

Doelstellingen van de les: - Dat de leerling de betekenis en status van het gebed (salat) in de Islam helder kan toelichten. - Dat de leerling het aantal verplichte gebeden gedurende dag en nacht correct kan noemen. - Dat de leerling het aantal rak‘ah's van elk van de verplichte gebeden nauwkeurig kan vaststellen.

*Het gebed is de tweede pilaar van de Islam, na de twee geloofsgetuigenissen.

*Het onderhouden van het gebed is een oorzaak die leidt tot het binnentreden van het Paradijs.

*Het nalaten ervan is een van de oorzaken van het binnentreden van het Hellevuur.

*De verplichte gebeden gedurende de dag en nacht zijn vijf, namelijk:

1- Het Fadjr (ochtend) gebed, twee rak‘ah's (twee gebedseenheden).

2- Het Doehr (middag) gebed, vier rak‘ah's (vier gebedseenheden).

3- Het 'Asr (namiddag) gebed, vier rak‘ah's (vier gebedseenheden).

4- Maghrib (avond) gebed, drie rak‘ah's (drie gebedseenheden).

5. Het 'Ishā' (nacht) gebed, vier rak‘ah's (vier gebedseenheden).

Vragen:

Vraag 1: Maak het ontbrekende af:

- De pilaren van de Islam zijn vijf, namelijk:

1- De twee geloofsgetuigenissen. 2- . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3- Het geven van de zakāt. 4- Het vasten van de maand Ramaḍān. 5- Het verrichten van de bedevaart.

- Het onderhouden van het gebed is een oorzaak die leidt tot het binnentreden . . . . . . . , en het nalaten ervan is een van de oorzaken van het binnentreden van . . . . . . . . . .

Vraag 2: Noem de verplichte gebeden gedurende de dag en nacht.

Vraag 3: Verbind elk gebed in kolom (A) met het bijbehorende aantal gebedseenheden (raka'āt) in kolom (B).

Kolom (A)

Het Fadjr-gebed

Het Doehr-gebed

Het Maghrib-gebed

Kolom (B)

Vier rak‘ah's (gebedseenheden)

Twee rak‘ah's (gebedseenheden)

Drie rak‘ah's (gebedseenheden)

Eén rak‘ah (gebedseenheden)

Vraag 4: Rangschik de volgende woorden om een betekenisvolle zin te vormen:

onderhoud - op de vastgestelde tijd - het verrichten van het gebed- Zayd.

........................................................................................................................................

(van de pilaren - het gebed is - de Islam - de pilaar - de tweede)

........................................................................................................................................

Vraag 5: Omcirkel de gebeden waarvan het aantal gebedseenheden vier is:

(Fadjr - Doehr- 'Asr - Maghrib - 'Ishā)

De zesde les [13]

[13] Voor de leerkracht: - Het toelichten van de betekenissen van de tashahhoed op een voor de leerlingen toegankelijke en heldere wijze: - “At-taḥiyyāt lillāh” (De groeten behoren Allah toe): dat wil zeggen: de uitdrukkingen die vrede, heerschappij, blijvende voortduur en verheven majesteit aanduiden, komen uitsluitend Allah toe, de Verhevene. - “Waṣ-ṣalawāt” (en de gebeden): dat wil zeggen: zowel de verplichte gebeden als de vrijwillige gebeden die aan Allah, de Verhevene, worden gewijd. - “Waṭ-ṭayyibāt” (en de goede en zuivere daden): dat wil zeggen: de rechtschapen en zuivere handelingen die voor Allah worden verricht, want Allah is waarlijk Goed en aanvaardt slechts wat goed en zuiver is. - Het beklemtonen van de liefde voor de Profeet Mohammed (vrede zij met hem), evenals het waarderen van de rechtschapen dienaren van Allah en het koesteren van genegenheid voor hen.

At-Tashahhoed (de geloofsgetuigenis in het gebed) [14]

[14] Leerdoelen: - Dat de leerling At-Tashahhoed (de geloofsgetuigenis in het gebed) memoriseert. - Dat de leerling de plaats van At-Tashahhoed in het gebed kan noemen.

(De begroetingen, de gebeden en de goede daden behoren toe aan Allah. Vrede zij met u, o profeet en de genade van Allah en Zijn zegeningen. Vrede zij met ons en met de rechtschapen dienaren van Allah. Ik getuig dat er geen god is [Die het recht heeft aanbeden te worden] dan Allah en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is). At-tahiyyatoe lillahi, was-salawatoe wat-tayyibaat. As-salaamoe ‘alayka ayyoeha an-nabiyyoe wa rahmatoellahi wa barakaatoeh. As-salaamoe ‘alayna wa ‘ala ‘ibaadillaahi as-saaliheen. Ashhadoe an laa ilaaha illa Allah, wa ashhadoe anna Mohammedan ‘abdoehoe wa rasoeloeh.

De plaats van at-Tashahhoed:

- Wordt gezegd na de tweede rak'ah van het gebed van drie of vier gebedseenheden en wordt genoemd: "de eerste Tashahhoed".

- Wordt gezegd na de laatste rak'ah van elk gebed en wordt genoemd: de laatste Tashahhoed.

Vragen:

Vraag 1: Wat is de At-Tashahhoed?

Vraag 2: Vul de volgende lege plaatsen in:

- De getuigenis wordt gezegd na de tweede rak'ah van het gebed met drie en vier gebedseenheden en wordt genoemd: . . . . . . . .

- De Tashahhoed wordt gezegd na de laatste rak'ah van elk gebed en wordt genoemd: . . . . .

Vraag 3: In de At-Tashahhoed bevind zich een pilaar van de Islam, benoem deze.

Vraag 4: Kies het juiste antwoord:

a- De eerste Tashahhoed wordt verricht na:

( ) De eerste rak'ah. ( ) De tweede rak'ah.

b. De laatste tashahhoed wordt gereciteerd:

( ) Na de smeekbede voor de profeet Mohammed (vzmh)

( ) vóór de smeekbede voor de profeet Mohammed (vzmh)

Vraag 5: Plaats de gebeden met twee tashahhoeds in een groep en die met slechts één tashahhoed in een groep.

(Het 'Isha'-gebed - Het 'Asr-gebed - Het Maghrib-gebed - Het Fadjr-gebed - Het Doehr-gebed)

Kolom (A)

1- ...................................................

2. ...................................................

3- ...................................................

4- ...................................................

Kolom (B)

1- ...................................................

2- ...................................................

3- ...................................................

4- .......................................................

De zevende les [15]

[15] Voor de leerkracht: - Het aanmoedigen van de leerlingen om veelvuldig zegeningen over de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) uit te spreken, in het bijzonder wanneer zijn naam wordt genoemd. - Het toelichten dat de “ṣalāh” van Allah over een dienaar betekent dat Allah hem prijst en verheerlijkt in het hoogste gezelschap. - Het uitleggen dat “baraka” (zegen) de voortdurende aanwezigheid en overvloed van al het goede betekent, en dat er niets is dat overvloediger en blijvender is dan het goede dat van Allah, de Verhevene, afkomstig is.

Het gebed (prijzingen) voor de profeet Mohammed (vzmh) [16]

[16] Leerdoelen: - Dat de leerling het gebed [smeekbede] voor de profeet (vzmh) kan noemen. - Dat de leerling de plaats kan aangeven van het zeggen van het gebed [smeekbede] voor de profeet (vrede zij met hem) in het gebed.

(O Allāh, schenk Uw zegeningen aan Mohammed en aan de familie van Mohammed, zoals U Uw zegeningen heeft geschonken aan Ibrāhīm en aan de familie van Ibrāhīm. Waarlijk, U bent de Geprezene, de Glorieuze. O Allāh, zegen Mohammed en de familie van Mohammed, zoals U Ibrāhīm en de familie van Ibrāhīm heeft gezegend. Waarlijk, U bent de Geprezene, de Glorieuze). Allāhumma ṣalli ‘alā Mohammedin wa ‘alā āli Mohammed, kamā ṣallayta ‘alā Ibrāhīm wa ‘alā āli Ibrāhīm, innaka ḥamīdun majīd, wa bārik ‘alā Mohammedin wa ‘alā āli Mohammed, kamā bārakta ‘alā Ibrāhīm wa ‘alā āli Ibrāhīm, innaka ḥamīdun majīd.

De plaats van het gebed [smeekbede] voor de profeet (vzmh): na de laatste Tashahhoed en voor de twee salams.

Vragen:

Vraag 1: Noem de wijze waarop het gebed [smeekbede] voor de profeet (vzmh) wordt gezegd.

Vraag 2: Vul de volgende lege plekken in met woorden uit de tekst:

A: Tot de namen van Allah, de Verhevene, behoort: ..................................................

b- Tot de namen van de profeten behoort: ..................................................

Vraag 3: Omcirkel het juiste antwoord:

Het gebed [smeekbede] voor de profeet Mohammed (vzmh) wordt uitgesproken in:

(roekoe' (de buiging) - soedjoed (neerknieling) - na de laatste Tashahhoed).

De achtste les [17]

[17] Voor de leraar: - Benadruk bij de leerlingen het zoeken van toevlucht tegen deze vier zaken op elk moment en in het bijzonder in het gebed, want de profeet (vzmh) heeft bevolen hiertegen toevlucht te zoeken. - Uitleg van de woorden van deze vier zaken waartegen toevlucht wordt gezocht, zoals vermeld in de les: "A'oedhoe": Ik zoek toevlucht en bescherming. "Fitnat al-maḥyā wa-l-mamāt": "Fitnat al-maḥyā": Dit is hetgeen wat een persoon gedurende zijn leven overkomt aan wereldse verleidingen en begeerten. "Fitnat al-mamāt": Er wordt gezegd dat dit de beproeving op het moment van sterven is of de beproeving van het graf en haar bestraffing, waaronder de ondervraging door de twee engelen. "Fitnat al-Masīḥ id-Dajjāl": "Al-Masīḥ id-Dajjāl": Hij is een leugenachtige en ongelovige man die aan het einde der tijden zal verschijnen en zal beweren dat hij de heer is. Allah zal door zijn handen vele tekenen laten plaatsvinden, zoals het laten neerdalen van regen voor degenen die hem geloven en droogte voor degenen die hem verloochenen. Daardoor zullen veel mensen door hem misleid worden en hem volgen. Hij zal door alle landen reizen, behalve Mekka en Medina. Daarna zal 'Isā (vrede zij met hem) hem doden. Tot de manieren om gered te worden van zijn beproeving behoren: het hebben van een sterk geloof, het zoeken van toevlucht bij Allāh tegen zijn beproeving en het memoriseren van de eerste tien verzen van Soerat al-Kahf. De profeet (vrede zij met hem) zei: "Wie de eerste tien verzen van Sūrah al-Kahf uit het hoofd leert, zal worden beschermd tegen de beproeving van de Dajjāl." Overgeleverd door Muslim (nr. 809).

De zaken waartegen toevlucht wordt gezocht in de zitting van de Tashahhoed na de ṣalāh [smeekbede] voor de profeet (vzmh) [18]

[18]Leerdoelen: - Dat de leerling kan opnoemen waar de moslim zijn toevlucht tegen zoekt in zijn gebed. - Dat de leerling de plaats bepaalt van het toevlucht zoeken tegen deze vier [zaken] in het gebed.

De moslim zoekt in de zitting van de Tashahhoed, na het gebed [smeekbede] voor de profeet (vzmh), toevlucht tegen vier zaken, zeggende:

1- O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de bestraffing van de Hel.

2- En tegen de bestraffing in het graf.

3- En tegen de beproevingen van het leven en de dood.

4- En tegen de beproeving van de valse Messias (al-Masīḥ id-Dajjāl).

Vragen:

Vraag 1: Noem de vier zaken waartegen toevlucht wordt gezocht in de zitting van de Tashahhoed, na het gebed [smeekbede] voor de profeet (vzmh).

........................................................................................................................................

........................................................................................................................................

Vraag 2: Maak het volgende af:

Een van de wegen tot redding van de beproeving van de valse Messias (Al-Masīḥ ad-Dajjāl):

- Toevlucht zoeken bij Allāh tegen ..............................................................

- Het memoriseren van de eerste tien verzen van .....................................................

De negende les [19]

Voor de leerkracht: - Het voordoen van het gebed door de leerkracht voor de leerlingen, zodat zij de juiste uitvoering ervan kunnen waarnemen en navolgen. - Het opdragen aan iedere leerling om het gebed voor zijn medeleerlingen uit te voeren, waarbij eventuele fouten worden gecorrigeerd en verduidelijkt. - Het opnieuw laten uitvoeren van het gebed wanneer leerlingen tijdens de verrichting ervan fouten maken, zodat de correcte uitvoering wordt verankerd. - Het onder de aandacht brengen dat de minimale volmaaktheid bij het uitspreken van “Subḥāna rabbiyal-‘aẓīm” en “Subḥāna rabbiyal-a‘lā” bestaat uit het éénmaal uitspreken van deze verheerlijking. - Het toelichten van de wijze waarop de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) het gebed verrichtte, op grond van hetgeen is overgeleverd door ʿĀmir ibn Saʿd, van zijn vader, die zei: “Ik zag de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) de vredesgroet naar rechts en naar links uitspreken, totdat ik het wit van zijn wang kon zien.” Overgeleverd door Moeslim, nr. 582. - Het verduidelijken dat de vrouw tijdens het gebed haar gehele lichaam bedekt, met uitzondering van het gezicht en de handen, mits zij zich niet in de aanwezigheid van niet-verwante mannen bevindt.

De wijze van het gebed [20]

[20] Leerdoelen: - Dat de leerling de wijze van het gebed kan verduidelijken. - Dat de leerling het gebed op een correcte wijze kan toepassen.

1- Ik richt mij naar de qiblah (Mekka), vervolgens zeg ik de Takbīrat l-Iḥrām (openingstakbīrah) terwijl ik naar de plaats van mijn soedjoed kijk, daarna zeg ik de du'ā al-Istiftāḥ.

2- Ik zeg: "Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte Satan", gevolgd door: "In de naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle’, en reciteer vervolgens al-Fātiḥah en wat ik van de Edele Quran heb gememoriseerd.

3- Ik hef mijn handen op en zeg: "Allahoe Akbar" (Allah is de Grootste), vervolgens buig ik voorover (roekoe') en zeg: "Subḥana Rabbiy al-'Adhīm" (Vrij is mij Heer van alle tekortkomingen, de Grootse), driemaal.

4- Ik verhef mij van de buiging (roekoe') zeggend: "Sami'a Allāhoe liman ḥamidah, Rabbanā wa lakal-ḥamd, hamdan kathīran tayyiban mubārakan fīh" (Allah hoort degene die Hem prijst. Onze Heer aan U behoort alle lof; een overvloedige, goede en gezegende lof).

5- Ik zeg "Allahu Akbar" en kniel neer (soedjoed) op de zeven lichaamsdelen en ik zeg tijdens de neerknieling (soedjoed) driemaal: "Subḥāna Rabbiy al-A'lā" (Vrij is mij Heer van alle tekortkomingen, de Allerhoogste).

6- Ik kom recht overeind uit de neerknieling (soedjoed) en zeg "Allahu Akbar", en ik zeg tussen de twee neerknielingen: "Rabbi ghfir lī" (O mijn Heer, vergeef mij).

7- Ik kniel voor de tweede keer neer, zeggend 'Allahu Akbar', en zeg tijdens de knieling driemaal: "Subḥāna Rabbiy al-A'lā" (Vrij is mij Heer van alle tekortkomingen, de Allerhoogste).

8- Ik sta op voor de tweede rak'ah (gebedseenheid), zeggende: "Allahoe Akbar", en ik handel daarin zoals ik deed in de eerste rak'ah.

9- Ik ga zitten na de tweede rak'ah om de eerste Tashahhoed te verrichten.

10- Ik handel in de rest van mijn gebed zoals ik deed in de twee voorgaande gebedseenheden (raka'āts).

11- Ik zit aan het einde van mijn gebed voor de laatste Tashahhoed, het gebed [smeekbede] voor de profeet (vrede zij met hem) en de smeekbede. Vervolgens verricht ik de twee salāms, zeggende: as-salāmoe 'alaykoem wa raḥmatoe Allah (Vrede zij met jullie en de genade van Allah).

Vragen:

Vraag 1: Noem de wijze van het gebed.

Vraag 2: Plaats elk van de volgende woorden of zinnen in de passende lege plekken:

(Al-Fātiḥah, Allāhu Akbar, Al-Qiblah (Mekka), wat men van de Edele Koran gememoriseerd heeft).

- De moslim richt zich in het gebed tot . . . . . . ., en zegt aan het begin van zijn gebed . . . . . . . . Daarna reciteert hij soerat . . . . . . . . ., gevolgd door . . . . . . . .

Vraag 3: De dichter heeft gezegd:

Mijn zoon, verricht de rituele wassing en sta op voor het gebed. *** En verricht het gebed voor je Heer, dan verwerf je Zijn welbehagen.

Mijn zoon, verricht de wassing met rein water, want het water van de woedoe is een licht voor jouw gezicht.

Als Allah tevreden is over een moslim, zal Hij het gelukzaligheid verkrijgen gedurende zijn hele leven.

Lees de voorgaande verzen [van het gedicht] en beantwoord het volgende:

a- Waarmee verricht de moslim woeḍoe? b- Noem een van de vruchten van het verrichten van het gebed?

Vraag 4: Kies het juiste antwoord uit wat volgt:

a- Ik richt mijn blik in het gebed naar:

( ) Het plafond. ( ) De muur. ( ) De plaats van de soedjoed.

b- Ik plaats mijn handen tijdens het buigen (roekoe') op:

( ) Mijn knieën. ( ) Mijn onderbenen.

c: Ik zeg tijdens de neerknieling (soedjoed):

( ) Subḥāna rabbiy al-A'lā. ( ) Subḥāna rabbiy al-'Adhīm

Vraag 5: Verbind de zinnen in kolom (A) met wat ermee overeenkomt in kolom (B):

Kolom (A)

Tijdens mijn neerknieling (soedjoed) zeg ik

Tijdens mijn buiging (roekoe') zeg ik

Tussen de twee neerknielingen zeg ik

Bij het opheffen uit de buiging (roekoe') zeg ik

Kolom (B)

Subḥāna rabbiy al-'Adhīm

Subḥāna rabbiy al-A'lā

Sami'a Allāhoe liman ḥamidah (Allah verhoort degene die Hem prijst)

Rabbi ghfir lī (Mijn Heer, vergeef mij)

Allāhu Akbar (Allah is groot)

De tiende les [21]

[21] Voor de leraar: - Het herhalen van hetgeen de woeḍoe ongeldig maakt met de leerlingen. - Het benadrukken van het belang van concentratie (khoeshoe')in het gebed. - Een aantal leerlingen de opdracht geven om het gebed te verrichten voor hun medeleerlingen, en de rest vragen om de fouten te corrigeren. - Het verduidelijken dat de woeḍoe ongeldig wordt door een van de zaken die het ongeldig maken, zoals wind/gas. - Het verduidelijken dat het bewust spreken tijdens het gebed het ongeldig maakt.

De zaken die het gebed ongeldig maken [22]

[21] Leerdoelen: - Dat de leerling de zaken die het gebed ongeldig maken kan verduidelijken. - Dat de leerling vermeldt wat men dient te doen als zijn gebed ongeldig is geworden.

Het gebed wordt ongeldig gemaakt door meerdere zaken, waaronder:

1- Het eten. 2- Het drinken. 3- Het spreken.

4- Het lachen. 5- Het verbreken van de woeḍoe door urine, ontlasting of wind/gas. 6- Het veelvuldige bewegen.

* Als iets van deze zaken die het gebed ongeldig maken plaatsvindt tijdens het gebed, wordt het ongeldig en dient het opnieuw verricht te worden.

Streef naar concentratie (khoesuoe) in het gebed.

Vragen:

Vraag 1: Noem de zaken die het gebed ongeldig maken.

Vraag 2: Wat moet men doen als zijn gebed ongeldig is geworden?

Vraag 3: Benoem in elk van de volgende situaties de zaak die het gebed ongeldig maken:

a. De leerling zag, terwijl hij het bidden was, dat zijn broeder Anas zijn etui pakte en hij zei tegen hem: "Laat mijn etui met rust."

b. De leerling hoorde de deurbel van het huis terwijl hij in de kamer aan het bidden was. Hij ging de deur openen en keerde vervolgens terug om zijn gebed af te maken.

c. Terwijl de leerling aan het bidden was, zag hij dat zijn kleine broertje probeerde te lopen en op de grond viel, waarop hij moest lachen.