27 : 16
وَوَرِثَ سُلَيۡمَٰنُ دَاوُۥدَۖ وَقَالَ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ عُلِّمۡنَا مَنطِقَ ٱلطَّيۡرِ وَأُوتِينَا مِن كُلِّ شَيۡءٍۖ إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلۡفَضۡلُ ٱلۡمُبِينُ
En Soeleiman beërfde (de kennis en koningschap van) Dawoed. Hij zei: “O mensheid! Ons is de taal van de vogels geleerd, en wij hebben allerlei zaken gekregen. Dit is echt een duidelijke gunst.”