18 : 34
وَكَانَ لَهُۥ ثَمَرٞ فَقَالَ لِصَٰحِبِهِۦ وَهُوَ يُحَاوِرُهُۥٓ أَنَا۠ أَكۡثَرُ مِنكَ مَالٗا وَأَعَزُّ نَفَرٗا
En hij had bezit (of fruit) en hij zei tegen zijn metgezel tijdens een wederzijds praatje: “Ik heb meer welvaart en naasten dan jij.”