12 : 33
قَالَ رَبِّ ٱلسِّجۡنُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِمَّا يَدۡعُونَنِيٓ إِلَيۡهِۖ وَإِلَّا تَصۡرِفۡ عَنِّي كَيۡدَهُنَّ أَصۡبُ إِلَيۡهِنَّ وَأَكُن مِّنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ
Hij zei: “O mijn Heer. De gevangenis is mij liever dan datgene waarvoor zij mij uitnodigen. Tenzij U hun samenzwering van mij doet afwenden, dan zal ik mij tot hen aangetrokken voelen en één van de onwetenden zijn."