21 : 89
وَزَكَرِيَّآ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥ رَبِّ لَا تَذَرۡنِي فَرۡدٗا وَأَنتَ خَيۡرُ ٱلۡوَٰرِثِينَ
En (gedenk) Zakariyyaa toen hij tot zijn Heer riep: “O Mijn Heer! Laat mij niet eenzaam achter hoewel U de beste van de Erfgenamen bent.”