نبذة في العقيدة الإسلامية (شرح أصول الإيمان)

نبذة في العقيدة الإسلامية (شرح أصول الإيمان)

رسالة لطيفة تتناول أصول العقيدة الإسلامية بأسلوب مبسط وميسر. تبدأ بمقدمة حول أهمية علم التوحيد، كونه أشرف العلوم وأجلّها، ثم تتناول مفهوم الدين الإسلامي وأركانه الخمسة: الشهادتان، والصلاة، والزكاة، والصوم، والحج. كما يشرح الإيمان بالله، وملائكته، وكتبه، ورسله، واليوم الآخر، ويؤكد على أهمية التوحيد في بناء دين المسلم بشكل سليم. الكتاب يهدف إلى تعزيز الفهم الصحيح للعقيدة الإسلامية وتطبيقها في حياة المسلم اليومية.

Language: lang_nl
Prepared by: Mohammed ibn Salih Al-Uthaymeen
Version: 1.2
Translations 41
Afrikanns Bulgarian Bengali Jola +37
Attachments 7
PDF
Audio
Video
+3

Een korte uiteenzetting over de Islamitische geloofsleer

Geschreven door de eerwaarde geleerde sheikh

Mohammed ibn Salih Al-Uthaymeen

Moge Allah hem, zijn ouders en alle moslims vergeven.

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle

Inleiding

Alle lof behoort Allah toe. Wij loven Hem, zoeken hulp bij Hem, vragen vergiffenis aan Hem en keren ons in berouw tot Hem. Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen het kwaad in onszelf en tegen de slechte gevolgen van onze daden, Degene die door Allah geleid wordt, kan niet worden misleid, en degene die Hij laat dwalen, kan geen gids vinden. Ik getuig dat er geen god is behalve Allah, Hij is de Enige, zonder deelgenoten. En ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en Boodschapper is. Moge Allah’s zegeningen en vrede rusten op hem, zijn familie, zijn metgezellen en allen die hen in goedheid volgen.

De kennis van de eenheid is de meest verheven kennis, de hoogste in aanzien en de meest noodzakelijke om te verwerven; omdat het de kennis is van Allah, de Verhevene, Zijn Namen, Zijn Eigenschappen en Zijn rechten jegens Zijn dienaren, en omdat het de sleutel is tot de weg naar Allah, de Verhevene, en de basis van Zijn wetgeving.

Daarom waren alle boodschappers verenigd in de oproep tot Hem, zoals Allah zegt: (En Wij hebben geen enkele boodschapper voor jou gezonden zonder aan hem te opbaren: “Er is er geen die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Mij, aanbid Mij dus 25) [Al-Anbiya:25].

En Hij (Verheven is Hij) heeft Zelf getuigd van Zijn Eenheid, en Zijn engelen hebben daarvan getuigd, evenals de mensen van kennis. Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Allah getuigt dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Hij, en de engelen en degenen die kennis hebben (getuigen ook); (Hij) onderhoudt (altijd) rechtvaardig Zijn schepping. Niemand heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij, de Almachtige, de Alwijze18) (Al-Imran:18).

En omdat de Eenheid van Allah een plaats inneemt van sublieme verhevenheid, wordt het iedere moslim tot een plicht zich er innig aan te wijden: door het te leren, het door te geven, het te doorgronden en het met het hart te bevestigen. Zo sticht hij zijn geloof op een zuivere, onwankelbare grond, vervuld van gemoedsrust en overgave, opdat hij moge delen in de weelde van haar vruchten en de zegenrijke uitwerking die zij voortbrengt.

En Allah is de Leider naar succes.

De auteur

De Islamitische religie

De Islamitische godsdienst is de religie waarmee Allah Zijn profeet Mohammed (vrede zij met hem) heeft gezonden; Hij heeft daarmee de eerdere religies voltooid en afgesloten. Allah heeft deze religie voor Zijn dienaren vervolmaakt, Zijn gunst ermee aan hen gecompleteerd en Hij heeft haar voor hen verkozen als hun levensweg. Daarom wordt van niemand een andere religie dan deze aanvaard. Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Mohammed is niet de vader van jullie, maar hij is een boodschapper van Allah, en de laatste van de profeten. En Allah is op de hoogte van alles 40) [Al-Ahzab:40].

En Allah zegt: (...Deze dag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islam voor jullie als godsdienst gekozen...) [Al-Ma'idah:3].

En Allah zegt: (Waarlijk, de (geaccepteerde) godsdienst bij Allah is de Islam...) [Al-Imran:19].

En Allah zegt: (...En éénieder die een andere godsdienst dan de Islam zoekt, het zal nooit van hem geaccepteerd worden en in het hiernamaals zal hij één van de verliezers zijn 85) [Al-Imran: 85].

En Allah, de Verhevene, heeft alle mensen verplicht Zich aan deze religie te onderwerpen. Zo sprak Hij tot de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): (Zeg: “O Mensheid! Waarlijk, ik ben tot jullie gestuurd als de boodschapper van Allah, aan wie het rijk van de hemelen en aarde toebehoort. Er is er geen die het recht om aanbeden te worden heeft, behalve Hij; Hij is het die het leven geeft en de dood veroorzaakt. Geloof dus in Allah en in Zijn boodschapper, de Profeet die niet kan lezen of schrijven die in Allah gelooft en in Zijn woorden, volg hem, zodat jullie geleid zijn 158) [Al-A'raf:158]

In Sahieh Moeslim is overgeleverd door Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden met hem zijn) dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd: "Bij Degene in wiens hand het leven van Mohammed is, zal niemand van deze gemeenschap, of hij nu een jood of een christen is, over mijn boodschap horen en sterven zonder te geloven in datgene waarmee ik ben gezonden, behalve dat hij tot de bewoners van het Vuur behoort."[1] [1] Vermeld in Sahih Moeslim: "Boek van het Geloof", Hoofdstuk over de verplichting van het geloof in de boodschap van onze profeet Mohammed (vrede zij met hem) aan alle mensen en de abrogatie van de religies door zijn religie, nummer (153).

En het geloof in hem houdt in: het bevestigen van wat hij heeft gebracht, gepaard met innerlijke aanvaarding en volledige overgave, niet louter bevestiging. Daarom was Aboe Talib geen gelovige in de Boodschapper (vrede zij met hem), ondanks zijn erkenning van wat deze had gebracht en zijn getuigenis dat diens religie tot de voortreffelijkste behoort.

De Islamitische religie omvat alle voordelen die de voorgaande religies bevatten en onderscheidt zich van hen door haar geschiktheid voor elke tijd, plaats en gemeenschap. Allah de Verhevene zei, Zich richtend tot Zijn Boodschapper: (En Wij hebben aan jou het boek in waarheid gestuurd, de boeken die vóór jou kwamen bevestigend en erover wakend...) [Al-Ma'idah:48].

En de betekenis van het feit dat deze religie geschikt is voor elke tijd, elke plaats en elk volk, is dat vasthouden aan haar leer nooit in strijd is met het welzijn van de gemeenschap, waar en wanneer dan ook; integendeel, juist daarin ligt haar ware welzijn besloten. Het betekent echter geenszins dat de religie zich moet onderwerpen aan elke tijd, plaats of gemeenschap, zoals sommigen wensen te suggereren.

De Islamitische godsdienst is de ware godsdienst, waarvan Allah heeft gegarandeerd dat Hij degene die er op de juiste wijze aan vasthoudt de overwinning zal schenken en hem zal laten zegevieren over anderen. Allah zei: (Hij is het Die Zijn boodschapper gestuurd heeft met leiding en omde godsdienst van de waarheid over alle andere godsdiensten superieur te maken, zelfs als de polytheïsten het haten 9) [Al-Saff:9].

En Allah zegt: (En Allah heeft degenen onder jullie die geloven en goede daden doen belooft dat Hij hen zeker de opvolging van (de huidige leiders) van de aarde zal geven, en Hij heeft het aan degenen voor hen gegeven, en Hij zal hen het gezag geven om haar godsdienst uit te voeren, dat wat Hij voor hen gekozen heeft. En Hij zal hen zeker in ruil daarvoor een goede veiligheid geven nadat zij angst hadden. Dat zal pas gebeuren als zij (gelovigen) Mij aanbidden zonder deelgenoten. Maar ieder die hierna ongelovig is, behoren tot de verdorvenen 55) [An-Noer:55].

De Islamitische religie is zowel geloofsleer als wetgeving; het is dan ook volmaakt in zijn geloofsleer en zijn wetten:

1- Het beveelt het monotheïsme en verbiedt polytheïsme.

2- Hij beveelt eerlijkheid en verbiedt leugens.

3. Het draagt op tot rechtvaardigheid en verbiedt onrecht. Rechtvaardigheid is het gelijk behandelen van gelijke zaken en het onderscheid maken tussen verschillende zaken. Rechtvaardigheid is niet de absolute gelijkheid, zoals sommige mensen beweren wanneer zij zonder nuancering zeggen: 'De Islam is de religie van gelijkheid'. Want het gelijk behandelen van verschillende zaken is een onrecht dat de Islam niet voorschrijft en de dader ervan is niet prijzenswaardig.

4- Hij beveelt betrouwbaarheid en verbiedt verraad.

5- De trouw bevelen en het verraad verbieden.

6- Hij gebiedt goedheid jegens de ouders en verbiedt wangedrag jegens hen.

7- Hij beveelt het onderhouden van de familiebanden, die de familieleden betreffen, en verbiedt het verbreken daarvan.

8- Goed nabuurschap bevelen en het slechte ervan verbieden.

De algemene regel is dat de Islam elke nobele karaktereigenschap gebiedt en elke verwerpelijke karaktereigenschap verbiedt. En zij gebiedt elke goede daad en verbiedt elke slechte daad.

Allah, de Verhevene, zegt: (Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid en de aanbidding van Hem (alléén) en het geduld in de volledige verrichting van de verplichtingen ten opzichte van Hem. En Hij (beveelt) hulp aan de verwanten en verbiedt onzedelijkheden, het verwerpelijke en de onderdrukking. Hij waarschuwt jullie, zodat jullie daar lering uit zullen halen 90) [An-Nahl:90].

De zuilen van de Islam

De pijlers van de Islam: de fundamenten waarop het is gebouwd, welke vijf zijn: zoals vermeld in de overlevering die Ibn Omar (moge Allah tevreden zijn met beiden) heeft doorgegeven van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem), dat hij heeft gezegd: "Islam is gebouwd op vijf pijlers: op het belijden van de eenheid van Allah - en in een andere overlevering: op vijf -: de getuigenis dat er geen god is dan Allah, en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is, het verrichten van het gebed, het geven van de zakaat, het vasten tijdens de maand Ramadan en het verrichten van de bedevaart naar het Huis (de Ka'bah)" Een man vroeg: "De bedevaart en het vasten tijdens ramadan?" Hij zei: "Nee, het vasten tijdens ramadan en de bedevaart." Aldus hoorde ik het van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem)[2]. [2] Vermeld in Sahih Al-Boekhari: "Boek van het Geloof", nummer (8), en in Sahih Moeslim: "Boek van het Geloof", Hoofdstuk over de uitspraak van de Profeet (vrede zij met hem) Islam is gebouwd op vijf pijlers, nummer (16).

1- Wat betreft de getuigenis dat er geen god is behalve Allah en dat Mohammed zijn dienaar en boodschapper is: het is de stellige overtuiging die met de tong wordt uitgedrukt door deze getuigenis, alsof men er door zijn stelligheid daarin getuige van is. En deze getuigenis is slechts tot één zuil gemaakt, ondanks de veelheid van hetgeen getuigd wordt:

Omdat de Boodschapper (vrede zij met hem) een overbrenger is namens Allah, is de getuigenis van zijn dienaarschap en boodschapperschap een vervollediging van de getuigenis dat er geen god is behalve Allah.

Of omdat deze twee getuigenissen de basis vormen voor de geldigheid en aanvaarding van de daden; aangezien geen daad geldig is of aanvaard wordt zonder oprechtheid jegens Allah, de Verhevene, en het volgen van Zijn boodschapper (vrede zij met hem).

Door oprechtheid voor Allah wordt de getuigenis verwezenlijkt: dat er geen god is behalve Allah en door het volgen van de boodschapper van Allah wordt de getuigenis verwezenlijkt: dat Mohammed zijn dienaar en zijn boodschapper is.

En een van de vruchten van dit grote getuigenis is: de bevrijding van het hart en de ziel van de slavernij aan de schepselen en van het volgen van anderen dan de Gezanten.

2- Het onderhouden van het gebed: dit is het aanbidden van Allah door het te verrichten op een correcte en volledige wijze, op de vastgestelde tijden en op de voorgeschreven wijze.

Tot de vruchten ervan behoren: verlichting, innerlijke voldoening en de weerhouding van onzedelijkheid en het verwerpelijke.

3- Wat betreft het geven van de Zakaat: het is de aanbidding van Allah, de Verhevene, door het afdragen van het verplichte deel van de vermogens waarover Zakaat verschuldigd is.

En onder de vruchten ervan behoort het zuiveren van de ziel van laakbare karaktertrekken (in het bijzonder gierigheid) en het vervullen van de noden van de Islam en de moslimgemeenschap.

4- En het vasten van de maand Ramadan houdt in: het zich in aanbidding tot Allah, de Verhevene, wenden door zich gedurende de dag van Ramadan te onthouden van alles wat het vasten verbreekt.

En onder de vruchten ervan behoort: het disciplineren van de ziel om afstand te doen van geliefde genoegens, in het verlangen naar de welbehagen van Allah, de Almachtige en Verhevene.

5. En wat de bedevaart naar het Heilige Huis betreft: zij is de toewijding aan Allah, de Verhevene, door de intentie te richten op het Heilige Huis en de rituelen van de hadj te verrichten in Zijn aanbidding.

En onder zijn vruchten bevindt zich: Het oefenen van de ziel in het verrichten van zowel financiële als lichamelijke inspanningen in gehoorzaamheid aan Allah, de Verhevene; en om die reden geldt de bedevaart als een vorm van strijd op de Weg van Allah.

Deze vruchten van deze fundamenten, zowel de reeds genoemde als de ongenoemde, maken van de gemeenschap een zuivere en reine islamitische gemeenschap; zij belijdt voor Allah de ware religie en behandelt de schepping met rechtvaardigheid en waarachtigheid. Want de overige wetten van de Islam worden deugdelijk door de deugdelijkheid van deze fundamenten, en de toestand van de Oemma wordt rechtgezet door de rechtschapenheid van haar religie en het welzijn van haar toestand neemt af in de mate waarin de rechtschapenheid van haar religieuze zaken afneemt.

En wie daarvan verduidelijking wenst, leest het volgende vers van Allah, de Verhevene: (En als de mensen van de stad geloofd hadden en vroom waren, dan zouden Wij zeker voor hen de zegeningen van de hemel en de aarde openen, maar zij negeerden (de boodschappers). Dus namen Wij hen voor datgene wat zij verdienden 96 Voelden de mensen van de steden zich dan veilig voor de komst van Onze bestraffing in de nacht terwijl zij sliepen 97 Of voelden de bewoners van de steden zich veilig tegen de komst van onze bestraffing in de voormiddag, terwijl zij speelden? 98 Voelden zij zich veilig tegen het plan van Allah. Niemand voelt zich veilig tegen het plan van Allah, behalve de mensen die verloren zijn 99) [Al-A'raf:96-99].

Men dient de geschiedenis te beschouwen van degenen die ons voorgingen; want de geschiedenis is een les voor de bezitters van inzicht en een bron van inzicht voor degene wiens hart niet door een sluier is afgeschermd. En het is Allah bij Wie hulp wordt gezocht.

De grondslagen van de Islamitische geloofsleer

De Islamitische religie is (zoals we eerder hebben verduidelijkt) geloofsleer en wetgeving. We hebben reeds verwezen naar enkele van zijn voorschriften en zijn pijlers genoemd, die als fundament voor zijn wetgeving worden beschouwd.

Wat de Islamitische geloofsleer betreft, haar fundamenten zijn: geloof in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers, de Laatste Dag en de Voorbeschikking, het goede en het kwade daarvan.

Op deze fundamenten wijzen het Boek van Allah en de Soenna van Zijn Boodschapper (vrede zij met hem).

En Allah, de Verhevene, zegt in Zijn Boek: (Het is niet vroomheid dat jullie, jullie gezichten naar het oosten en (of) het westen laten keren, maar vroomheid is (het niveau) van degene die in Allah gelooft, in de laatste dag, de engelen, het boek, de profeten...) [Al-Baqarah:177]. En hij zegt over de voorbeschikking: (Waarlijk, Wij hebben alle zaken volgens een bepaalde maat geschapen 49 En Ons bevel is slechts één; als de flikkering van een oog 50) (Soerat Al-Qamar 49-50)

En in de Soenna van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem), zegt de Profeet (vrede zij met hem) in antwoord op de vraag van Djibril over het geloof: "Het geloof is geloven in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers, de Laatste Dag, en geloven in het lot: het goede en het kwade ervan." [3]. [3] Overgeleverd door Moeslim, "Boek van het Geloof", nummer (8), en Aboe Dawoed: "Boek van de Soenna", Hoofdstuk 'Over de voorbeschikking', nummer (4695).

Het geloof in Allah de Verhevene

Het geloof in Allah omvat vier zaken:

De eerste zaak: Het geloof in het bestaan van Allah de Almachtige:

Op Zijn bestaan wijzen: de natuur, het verstand, de openbaring en de zintuiglijke waarneming.

Wat betreft de aanwijzing van de menselijke natuur (al-fitra) voor Zijn bestaan Verheven is Hij: iedere geschapen ziel is van oorsprong gevormd met een aangeboren erkenning van haar Schepper, zonder voorafgaand nadenken of onderricht. Niemand wendt zich af van wat deze natuurlijke aanleg vereist, behalve hij in wiens hart iets is binnengedrongen dat hem ervan wegtrekt. Volgens de uitspraak van de Profeet (vrede zij met hem): ""Er wordt geen enkel kind geboren behalve op de natuurlijke aanleg (fitra); het zijn zijn ouders die hem vervolgens joods, christelijk of zoroastrisch maken"[4]. [4] Overgeleverd door Al-Boekhari: "Boek van de Begrafenissen", Hoofdstuk over het gebed voor een jongen die als moslim sterft en over het aanbieden van de Islam aan een jongen, nummer (1292), en Moeslim: "Boek van de Goddelijke Voorbeschikking", Hoofdstuk over de betekenis dat elk kind wordt geboren in een natuurlijke staat van overgave (fitra), en de regelgeving betreffende de dood van kinderen van ongelovigen en kinderen van moslims, nummer (2658).

2- En wat betreft het bewijs van het verstand voor het bestaan van Allah, de Verhevene, is dat deze geschapen wezens (de vroegere en de latere) noodzakelijkerwijs een Schepper moeten hebben die hen heeft voortgebracht; want zij kunnen onmogelijk zichzelf hebben voortgebracht, noch kunnen zij door toeval zijn ontstaan.

Het is onmogelijk dat iets zichzelf doet ontstaan, want niets kan zichzelf scheppen. Immers, vóór zijn bestaan was het niets; hoe zou het dan een Schepper kunnen zijn?

En het niet toevallig kan ontstaan; want voor elke gebeurtenis moet er een veroorzaker zijn, En omdat haar bestaan in deze prachtige orde, harmonieuze samenhang en hechte verbondenheid tussen de oorzaken en hun gevolgen en tussen de schepselen onderling, categorisch uitsluit dat haar bestaan toevallig is; immers, iets wat toevallig bestaat, heeft in zijn oorsprong geen orde, hoe kan het dan geordend zijn tijdens zijn voortbestaan en ontwikkeling?

En als deze schepselen noch uit zichzelf kunnen bestaan, noch toevallig tot bestaan kunnen komen, dan is het noodzakelijk dat er een Schepper is: Allah, de Heer van de werelden.

En Allah, de Verhevene, heeft dit intellectuele bewijs en onweerlegbare argument in Soera At-Toer genoemd, waar Hij zegt: (Of zijn zij door niets geschapen of zijn zij zelf de scheppers?) [At-Toer:35]. Dat wil zeggen: dat zij niet zonder een Schepper zijn geschapen, noch hebben zij zichzelf geschapen; daarom staat het vast dat hun Schepper Allah, de Verhevene, is. En om deze reden, toen Joebayr ibn Moetʿim (moge Allah tevreden met hem zijn) hoorde hoe de Profeet (moge Allah Zijn vrede en zegeningen op hem zijn) Soerat At-Toer reciteerde en bij deze verzen aankwam: (Of zijn zij door niets geschapen of zijn zij zelf de scheppers? Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Nee, maar zij zijn er niet van overtuigd. 36 Of zijn met hen schatten van jullie Heer? Of zijn zij tirannen met het gezag om maar te doen wat zij willen? 37) [At-Toer:35-37].

Jubayr (moge Allah tevreden met hem zijn), die destijds een polytheïst was, zei: “Mijn hart stond op het punt te vliegen en dat was de eerste keer dat het geloof zich in mijn hart vestigde”[5]. [5] Overgeleverd door Al-Boekhari: Soerah At-Toer, nummer (4854).

Laten we een voorbeeld aanhalen om dit te verduidelijken: Stel dat iemand u zou vertellen over een imposant paleis, omringd door tuinen, waartussen rivieren stromen, gevuld met meubilair en bedden, en verfraaid met allerlei essentiële en complementaire decoraties, En als hij je zou vertellen dat dit paleis, met al zijn perfectie, zichzelf heeft geschapen of door toeval is ontstaan zonder een maker, dan zou je dat onmiddellijk ontkennen en verwerpen, en zijn woorden als dwaasheid beschouwen. Is het dan denkbaar dat dit uitgestrekte universum, met zijn aarde, zijn hemel, zijn hemellichamen, zijn toestanden en zijn prachtige, schitterende ordening, zichzelf heeft geschapen of toevallig is ontstaan zonder Schepper?

3- Wat betreft het bewijs vanuit de wetgeving voor het bestaan van Allah, de Verhevene: alle hemelse Boeken getuigen hiervan, en de rechtvaardige voorschriften die zij hebben gebracht, welke de belangen van de schepping omvatten, zijn een bewijs dat zij afkomstig zijn van een alwijze, alwetende Heer, Die de belangen van Zijn schepping kent. En wat het heeft gebracht aan kosmologische berichten, waarvan de werkelijkheid de waarheid getuigt, is een bewijs dat het afkomstig is van een Heer die bij machte is te scheppen waarover Hij heeft bericht.

4- Wat betreft de zintuiglijke bewijzen voor het bestaan van Allah; deze zijn tweeledig:

De ene: Dat wij horen en waarnemen hoe de aanroepers worden verhoord en degenen in nood worden geholpen, wat onomstotelijk duidt op Zijn bestaan, verheven is Hij. Allah, geprezen zij Hij, zei: (En (gedenk) Noeh toen hij ons voorheen aanriep. Wij verhoorden zijn aanroeping...) [Al-Anbiya:76]. En Allah zegt: (Gedenk de Slag van Badr) waarop jullie bij jullie Heer om hulp smeekten en Hij (Mohammed's smeekbede voor) jullie verhoorde...) [Al-Anfal:9].

In Sahieh al-Boekhari, zei Anas ibn Mālik, moge Allah tevreden met hem zijn: “Een bedoeïen kwam op een vrijdag de moskee binnen - terwijl de Profeet (vrede zij met hem) stond te preken - en zei: “O Boodschapper van Allah, het bezit is vergaan en de familie lijdt honger, bid daarom tot Allah voor ons.” Daarop hief hij zijn handen en bad, en de wolken rezen op als bergen. Hij was nog niet van zijn preekstoel afgedaald of ik zag de regen al van zijn baard druipen.”[6] [6] Overgeleverd door Al-Boekhari: "Boek van de Vrijdag", Hoofdstuk over het vragen om regen in de preek op de vrijdag, nummer (891).

Op de tweede vrijdag stond die bedoeïen, of een ander, op en zei: ''O Boodschapper van Allah, de gebouwen zijn ingestort en de bezittingen zijn overstroomd, dus bid tot Allah voor ons.'' Daarop hief hij zijn handen en zei (vrede zij met hem): "O Allah, rondom ons en niet boven ons" Dus elke richting die hij aanwees, opende zich[7]. [7] Overgeleverd door Al-Boekhari: "Boek van de Vrijdag", hoofdstuk over de smeekbede om regen in de vrijdagpreek, nummer (891), en door Moeslim: "Boek van het Gebed om Regen", hoofdstuk over de smeekbede tijdens het gebed om regen, nummer (897).

Het verhoren van de smeekbeden is tot op de dag van vandaag een getuigde zaak voor wie zich oprecht tot Allah, de Verhevene, wendt en aan de voorwaarden voor verhoring voldoet.

Ten tweede: de tekenen van de profeten, die wonderen worden genoemd en die de mensen aanschouwen of waarover zij horen, zijn een overtuigend bewijs voor het bestaan van Degene Die hen heeft gezonden, namelijk Allah, de Verhevene. Want het zijn zaken die het menselijk vermogen te boven gaan, die Allah, de Verhevene, verricht ter ondersteuning van Zijn gezondenen en als overwinning voor hen.

Een voorbeeld daarvan is het teken van Moessa, vrede zij met hem, toen Allah de Verhevene hem beval met zijn staf op de zee te slaan. Dus sloeg hij erop, en het spleet in twaalf droge paden, en het water ertussen was als bergen. Allah de Verhevene heeft gezegd: Toen openbaarden Wij aan Moesa (zeggende): (Sla met jouw stok tegen de zee.” En het spleet en ieder afzonderlijk deel werd als een grote stevige massa van een berg 63) [Ash-Shoe'ara:63].

Een tweede voorbeeld: Het wonder van Issa (vrede zij met hem), die de doden tot leven wekte en hen met de toestemming van Allah uit hun graven haalde. Allah, de Verhevene, zei over hem: (...en ik breng de doden met Allah Zijn toestemming tot leven...) [Al-Imran:49] En Hij zegt: (...En (gedenk) toen je de doden (tot leven wekte en hen uit hun graven) deed herrijzen, met Mijn toestemming...) [Al-Ma'idah:110].

Een derde voorbeeld: toen Qoeraisj van Mohammed (vrede zij met hem) een teken vroeg, wees hij naar de maan, die in tweeën spleet, en de mensen zagen het. Hierover zegt Allah, de Verhevene: (Het uur is nabij gekomen en de maan is gespleten. En als zij een teken zien, wenden zij zich af en zeggen: 'Voortdurende tovenarij.' 2) [Al-Qamar 1-2]

Deze tastbare tekenen, die Allah, de Verhevene, voortbrengt ter bevestiging van Zijn boodschappers en ter ondersteuning van hen, wijzen onmiskenbaar en overtuigend op Zijn bestaan.

Het tweede punt dat het geloof in Allah omvat, is het geloof in Zijn Heerschappij: namelijk dat Hij alleen de Heer is, zonder enige deelgenoot of helper.

De Heer is Hij aan Wie de schepping, de heerschappij en het bevel toebehoren; daarom is er geen Schepper dan Allah, geen Bezitter dan Hij, en het bevel is alleen aan Hem. Allah zegt: (...Zeker, aan Hem is de schepping en het bevel....) [Al-A'raf:54] En Hij zegt: (....Dat is Allah, jullie Heer; aan Hem is het koninkrijk. En degenen die jullie aanroepen naast Hem, bezitten nog geen vliesje van een dadelpit....) [Fatir:13].

En het is niet bekend dat iemand van de schepselen de heerschappij van Allah, de Verhevene, heeft ontkend, behalve dat hij koppig was en niet werkelijk geloofde in hetgeen hij verkondigde, zoals gebeurde bij Farao, toen hij tot zijn volk zei: (Zeggende: “Ik ben jullie heer, de hoogste.”24) [An-Nazi'at:24], en hij heeft gezegd: (....O vooraanstaande! Ik weet niet dat jullie een andere god naast mij hebben...) [Al-Qasas:38], maar dat is niet uit geloofsovertuiging. Allah, de Verhevene, zei: (En zij verloochenden de tekenen valselijk en hooghartig, hoewel zij zelf ervan overtuigd zijn...) [An-Naml:14]. En Moessa (vrede zij met hem) zei tegen de farao, zoals Allah over hem verhaalt: (...Waarlijk jij weet dat deze tekenen door niemand anders dan door de Heer van de hemelen en de aarde als duidelijk naar beneden zijn gestuurd. En ik denk zeker O Farao dat jij tot de vernietiging gedoemd bent! ) [Al-Issra: 102]. En daarom erkenden de polytheïsten de Heerschappij van Allah, de Verhevene, terwijl zij Hem deelgenoten toeschreven in Zijn goddelijkheid; Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Zeg: “Aan wie behoort de aarde toe en wat zich daarin bevindt toe? Als jullie het maar weten!” Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Willen jullie dan niet nadenken?” Zeg: “Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de geweldige Troon?” Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Willen jullie dan niet vrezen?” Zeg: “In wiens hand is de heerschappij over alle dingen, en Hij beschermt, maar tegen Hem is er geen bescherming, als jullie het maar weten?” Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Hoe worden jullie dan betoverd?” 89) [Al-Moe'minoen:84-89].

En Allah, de Verhevene, zei: (En zeker, als je hen vraagt: “Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen?” Zullen zij zeker zeggen: “De Almachtige, de Alwetende heeft hen geschapen. 9) [Az-Zoekhroef:9].

En Hij (Verheven is Hij) zei: (En als jullie hen vragen wie hen geschapen heeft, zullen zij zeker: “Allah” zeggen. Hoe kan het dan dat zij zich afkeren. 87) [Az-Zoekhroef:87].

Het bevel van Allah, de Verhevene, omvat zowel het universele als het wettelijke bevel. Want zoals Hij de Bestuurder van het universum is, Die daarin beschikt over wat Hij wil, overeenkomstig wat Zijn wijsheid vereist, zo is Hij eveneens de Heerser daarin door het voorschrijven van de aanbiddingen en de voorschriften voor de transacties, overeenkomstig wat Zijn wijsheid vereist. Wie naast Allah een wetgever neemt in de aanbiddingen of een heerser in de onderlinge handelingen, heeft polytheïsme bedreven en het geloof niet verwezenlijkt.

De derde zaak die het geloof in Allah omvat: Het geloof in Zijn Goddelijkheid, dat wil zeggen: dat Hij alleen de ware God is zonder deelgenoot, en (Al-Ilah) betekent (Al-Ma'loeh), dat wil zeggen: (de Aanbedene) uit liefde en verheerlijking.

Allah, de Verhevene, zei: (En jullie God is één God, er is geen Die het recht tot aanbidding heeft behalve Hij, de Barmhartigste, de Genadevolle. 163) [Al-Baqarah:163]. En Allah zegt: (Allah getuigt dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Hij, en de engelen en degenen die kennis hebben (getuigen ook); (Hij) onderhoudt (altijd) rechtvaardig Zijn schepping. Niemand heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij, de Almachtige, de Alwijze.18) [Al-Imran:18], En iedereen die een god naast Allah neemt om te aanbidden, zijn goddelijkheid is vals. Allah, de Verhevene, zegt: (Dat is omdat Allah – Hij is de waarheid en wat zij naast Hem aanroepen valsheid is. En waarlijk, Allah – Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste 62) [Al-Hadj 62]. En het noemen van hen “goden” verleent hen geenszins het recht op goddelijkheid. Allah, de Verhevene, zegt hierover in de Koran (over Al-Lāt, Al-‘Uzzā en Manāt): (Zij zijn enkel namen die jullie genoemd hebben – jullie en jullie vaderen – waarvoor Allah geen bevoegdheid voor heeft gegeven...) [An-Nadjm: 23].

En Allah, de Verhevene, verklaarde over Hoed (vrede zij met hem) dat hij tegen zijn volk zei: (...Redetwisten jullie maar met mij over de namen die jullie hebben genoemd – jullie en jullie vaderen, zonder gezag van Allah?...) [Al-A'raf:71].

En over Yoesuoef (vrede zij met hem) wordt gezegd dat hij tegen zijn twee metgezellen in de gevangenis zei: (O twee medegevangenen! Zijn de verschillende heren beter of Allah de Ene, de Onweerstaanbare? Jullie aanbidden naast Hem slechts namen die jullie en jullie voorvaderen hebben verzonnen, waarvoor Allah geen enkel gezag heeft neergezonden...) [Yoesuoef:39-40].

En om deze reden zeiden de boodschappers (vrede zij met hen) tegen hun volk: (…Aanbid Allah! Jullie hebben geen andere god dan Hem…) [Al-A'raf:59] Maar de polytheïsten weigerden dat en namen goden naast Allah, die zij naast Hem, de Verhevene, aanbaden, om hulp vroegen en toevlucht zochten.

Allah de Verhevene heeft het nemen van deze goden door de polytheïsten ongeldig verklaard met twee rationele bewijzen:

Ten eerste: in deze “goden” die zij hebben genomen is niets van de eigenschappen van goddelijkheid aanwezig. Zij zijn geschapen wezens die zelf niet scheppen, noch enig nut brengen voor degenen die hen aanbidden, noch hen schadeloos stellen. Zij beheersen noch het leven, noch de dood, en hebben geen macht over iets van de hemelen, noch nemen zij daar enige deelname aan.

Allah, de Verhevene, zei: (Toch hebben zij naast Hem andere goden aangenomen die niets geschapen hebben maar zelf geschapen zijn en zelf niet kunnen schaden of baat brengen en geen macht hebben om de dood (te veroorzaken), of het leven (te geven) noch om de doden te laten herrijzen 3) [Al-Foerqan:3].

En Allah zegt: (Zeg: “Roep degene op die jullie naast Allah hebben aangesteld, zij bezitten zelfs niet het gewicht van een atoom. – noch in de hemelen noch op aarde, noch delen zij erin noch is er voor Hem een helper onder hen. En de voorspraak baat niet bij Hem, behalve voor degene aan wie Hij toestemming heeft gegeven... [Saba:22-23]. En Hij zei: (Kennen zij aan Allah deelgenoten toe van degenen die niets geschapen hebben en die zij zelf geschapen hebben? En zij kunnen hen geen hulp bieden, noch kunnen zij zichzelf helpen. 192) [Al-A'raf:191-192].

En als dit de toestand is van die zogenaamde “goden”, dan is het nemen van hen als goden een daad van de diepste dwaasheid en van het uiterste van onwaarheid.

Ten tweede: Deze polytheïsten erkenden dat Allah, de Verhevene, de Ene is, de Schepper, in Wiens Hand het koninkrijk van alle dingen berust. Hij beschermt en wordt door niemand beschermd. Dit impliceert dat zij Hem moesten erkennen als de Enige in goddelijkheid, zoals zij Hem hebben erkend in Zijn heerschappij en scheppingsmacht. Zoals de Verhevene heeft gezegd: (O Mensheid! Aanbid jullie Heer Die jullie geschapen heeft en degenen vóór jullie, zodat jullie godvrezend worden. Die voor jullie de aarde als een rustplaats heeft gemaakt en de hemel als een bouwwerk en water uit de hemel heeft neergezonden waarmee Hij vruchten voortbrengt als voorziening voor jullie. Stel daarom geen gelijken aan Allah terwijl jullie weten. 22) [Al-Baqarah: 21-22].

En Allah zegt: (En als jullie hen vragen wie hen geschapen heeft, zullen zij zeker: “Allah” zeggen. Hoe kan het dan dat zij zich afkeren. 87) [Az-Zoekhroef: 87].

En Allah zegt: (Zeg: “Wie voorziet jullie uit de hemel en de aarde? Of wie bezit het gehoor en het gezicht? En wie brengt de levenden voort uit de doden en de doden uit de levenden? En wie regelt de zaken? Zij zullen zeggen: “Allah.” Zeg: “Zijn jullie dan niet bang voor Allah Zijn bestraffing?” Dat is Allah, jullie ware Heer. Wat is er na de waarheid behalve dwaling? Hoe worden jullie dan afgekeerd? 32) [Soerat Yoenoes: 31-32]

Het vierde punt dat het geloof in Allah omvat: Het geloof in Zijn Namen en Eigenschappen:

Dat wil zeggen: Het bevestigen van wat Allah voor Zichzelf heeft bevestigd in Zijn Boek of in de Soenna van Zijn Boodschapper (vrede zij met hem) qua namen en eigenschappen, op een wijze die Hem past, zonder enige vorm van verdraaiing, ontkenning, bepaling of vergelijking. Allah, de Verhevene, zegt: (En (alle) van de mooiste namen behoren Allah toe, roep Hem bij ze aan en verlaat het gezelschap van degenen die Zijn namen verloochenen en ontkennen. Zij zullen voor hun daden vergolden worden 180) [Al-A'raf:180] En Allah zegt: (....En aan Hem is de hoogste beschrijving in de hemelen en op aarde. En Hij is de Almachtige, de Alwijze) [Ar-Roem:27] En Allah zegt: (....Er is niets of niemand aan hem gelijk en Hij is de Alhorende (m.b.t. hun woorden), de Alziende (m.b.t. hun daden) [As-Shoera: 11].

In deze kwestie zijn twee groepen afgedwaald:

De eerste groep: de “Mu‘attila” (degenen die de Namen en Eigenschappen van Allah ontkennen, geheel of gedeeltelijk) stellend dat het toekennen ervan aan Allah noodzakelijkerwijs gelijkstelling met de schepping inhoudt, dat wil zeggen: Allah vergelijken met Zijn schepselen. Deze bewering is echter op meerdere gronden onjuist, waaronder de volgende:

De eerste: Dat het valse consequenties met zich meebrengt; zoals tegenspraak in de woorden van Allah, de Geprezene. Dit is omdat Allah de Verhevene voor Zichzelf de Namen en Eigenschappen heeft bevestigd en heeft ontkend dat er iets aan Hem gelijk is. En als het toekennen van deze eigenschappen noodzakelijkerwijs gelijkstelling met de schepping zou inhouden, dan zou dat leiden tot tegenstrijdigheid in de woorden van Allah en tot het tegenspreken van Zijn eigen uitspraken.

Ten tweede: uit de overeenkomst van twee zaken in een naam of eigenschap volgt niet dat zij identiek zijn. Zo zie je twee personen die beiden mens, horend, ziend en sprekend zijn, zonder dat dit betekent dat zij volledig gelijk zijn. Hieruit volgt niet dat zij aan elkaar gelijk zijn in de menselijke eigenschappen, het gehoor, het zicht en de spraak.

En men ziet dat de dieren handen, poten en ogen hebben, maar deze overeenkomst houdt niet in dat hun handen, poten en ogen aan elkaar gelijk zijn.

Wanneer het onderscheid tussen de schepselen zichtbaar wordt in de namen of kenmerken waarin zij overeenkomen; dan is het onderscheid tussen de Schepper en het schepsel nog duidelijker en groter.

De tweede groepering: de Moeshabbihah, die de Namen en Eigenschappen bevestigden, terwijl zij Allah, de Verhevene, met Zijn schepping vergeleken, bewerend dat dit de implicatie van de teksten is; omdat Allah, de Verhevene, de dienaren aanspreekt met wat zij begrijpen. En deze bewering is vals om verschillende redenen, waaronder:

Ten eerste: Dat Allah, de Verhevene, gelijk zou zijn aan Zijn schepselen, is iets wat zowel het verstand als de wetgeving verwerpt. Het is onmogelijk dat de teksten van het Boek en de Soenna een bevel zouden inhouden dat onjuist of onwaar is.

Ten tweede: dat Allah de Verhevene de dienaren heeft aangesproken met dat wat zij begrijpen qua oorspronkelijke betekenis, terwijl de werkelijkheid en de essentie van die betekenis, met betrekking tot Zijn Wezen en Zijn eigenschappen, behoren tot de kennis die Allah de Verhevene voor Zichzelf heeft gehouden.

Wanneer Allah dus voor Zichzelf bevestigt dat Hij Alhorend is, is het gehoor bekend in zijn basisbetekenis (zijnde de waarneming van geluiden), maar de ware aard daarvan met betrekking tot het gehoor van Allah, de Verhevene, is onbekend. Want de ware aard van het gehoor verschilt zelfs onder de schepselen; het verschil daarin tussen de Schepper en het schepsel is dan ook nog duidelijker en groter.

En wanneer Allah, de Verhevene, over Zichzelf zegt dat Hij Zich heeft verheven op Zijn Troon, dan is het begrip van “verheven zijn” in zijn oorsprong bekend, maar de ware werkelijkheid van dit verheven-zijn zoals het bij Allah is, blijft voor ons onbekend. Dit komt doordat de werkelijkheid van verhevenheid voor het schepsel anders wordt ervaren dan voor Allah Zelf. Het zich vestigen op een stabiele zetel is niet gelijk aan het zich vestigen op het zadel van een weerbarstige en schichtige kameel. Als er al een verschil bestaat in het geval van het schepsel, dan is het verschil hierin tussen de Schepper en het schepsel des te duidelijker en groter.

Het geloof in Allah, zoals wij het hebben beschreven, brengt voor de gelovigen aanzienlijke vruchten voort, waaronder:

De eerste: Het verwezenlijken van het monotheïsme van Allah, waarbij hoop noch vrees aan iets anders dan Hem wordt verbonden, en niemand anders dan Hem wordt aanbeden.

Tweede: De volmaakte liefde voor Allah en het verheerlijken van Hem, in overeenstemming met Zijn schone namen en Zijn verheven eigenschappen.

De derde: Het verwezenlijken van Zijn aanbidding door het uitvoeren van wat Hij heeft geboden en het vermijden van wat Hij heeft verboden.

*

Het geloof in de Engelen

De engelen zijn wezens van de onzichtbare wereld, geschapen en aanbidders van Allah de Verhevene; zij bezitten geen van de eigenschappen van Heerschappij en Goddelijkheid. Allah de Verhevene heeft hen uit licht geschapen en hen begiftigd met de volledige gehoorzaamheid aan Zijn bevel en de kracht om dit uit te voeren. Allah de Verhevene zegt: (En degenen die in Zijn nabijheid zijn zijn niet hoogmoedig Hem te aanbidden noch zijn zij vermoeid. Zij verheerlijken Hem dag en nacht zonder te verslappen ) [Al-Anbiyaa 19-20].

Zij zijn talrijk, enkel Allah, de Verhevene, kan hen tellen. En het is vastgesteld in de twee Sahihs, in de hadith van Anas, moge Allah tevreden met hem zijn, betreffende het verhaal van de Hemelreis (al-Mi'radj), dat de Profeet, vrede en zegeningen zij met hem, de Bayt al-Ma'mur (het Bezochte Huis) in de hemel werd getoond, waarin elke dag zeventigduizend engelen bidden. Wanneer zij vertrekken, keren zij er nooit meer naar terug.

Het geloof in de engelen omvat vier zaken:

De eerste: Het geloof in hun bestaan.

Het tweede: Het geloven in hen van wie wij bij name op de hoogte zijn gesteld (zoals Djibriel), en in degenen van wie we de namen niet kennen, geloven we in het algemeen.

Ten derde: Het geloof in de eigenschappen die wij van hen kennen, zoals de beschrijving van Djibril (vrede zij met hem), aangezien de Profeet (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn) heeft verteld dat hij hem zag in de vorm waarin Allah, de Verhevene, hem geschapen heeft, met zeshonderd vleugels die de horizon vulden.

En soms verandert de engel op bevel van Allah, de Verhevene, in de gedaante van een man, Zoals het Djibril verging toen Allah, de Verhevene, hem naar Maryam zond en hij voor haar verscheen in de gedaante van een welgevormde man. En toen hij tot de Profeet (vrede zij met hem) kwam terwijl deze in het gezelschap van zijn metgezellen zat, verscheen hij in de gedaante van een man met extreem witte kleding en extreem zwart haar. Er waren geen tekenen van reizen op hem te zien en niemand van zijn metgezellen kende hem. Hij ging zitten tegenover de Profeet (vrede zij met hem), steunde zijn knieën tegen die van hem, legde zijn handpalmen op zijn dijen en vroeg de Profeet (vrede zij met hem) over de Islam, het geloof, Ihsan, het Uur en de tekenen ervan. De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde hem, waarop hij vertrok. Vervolgens zei hij (vrede zij met hem): "Dat was Jibriel; hij kwam om jullie, jullie godsdienst te leren" [8]. [8] Vermeld in Sahih Moeslim: "Boek van het Geloof", Hoofdstuk over de uitleg van het Geloof, de Islam en Ihsan en de verplichting van het geloof in de bevestiging van de voorbeschikking van Allah, de Geprezene en Verhevene, nummer (8).

En zo ook de engelen die door Allah de Verhevene naar Ibrahim en Loet werden gezonden, waren in de gedaante van mannen.

Het vierde onderdeel van het geloof in de engelen: Het geloof in de taken die wij van hen kennen, die zij verrichten op bevel van Allah; zoals het verheerlijken van Hem en het aanbidden van Hem, dag en nacht, zonder vermoeidheid of verzwakking.

En sommigen van hen kunnen specifieke taken hebben.

Bijvoorbeeld: Djibril (Gabriël), de vertrouweling van de openbaring van Allah, de Verhevene, die Allah daarmee naar de profeten en boodschappers zendt.

Bijvoorbeeld: Mika'il (Michaël), de aangestelde over de neerslag, oftewel de regen en de plantengroei.

Israfiel: de engel belast met het blazen op de bazuin bij het aanbreken van het Uur en de opwekking van de schepping.

Een voorbeeld is de engel des doods: aan wie de taak is toevertrouwd om de zielen bij de dood te nemen.

En een voorbeeld is Malik: degene die belast is met het Vuur en hij is de bewaker van het Vuur.

Zoals ook bij de engelen die belast zijn met de embryo’s in de baarmoeder: wanneer de mens vier maanden in de schoot van zijn moeder heeft voltooid, zendt Allah een engel tot hem, aan wie Hij beveelt zijn levensonderhoud, zijn levensduur, zijn daden en of hij ongelukkig of gelukkig zal zijn, te noteren.

Een voorbeeld hiervan zijn de engelen die belast zijn met het bewaren van de daden van de mens en het opschrijven ervan; voor ieder mens zijn er twee engelen, de een aan de rechterzijde en de ander aan de linkerzijde.

Een voorbeeld hiervan zijn de engelen die belast zijn met de ondervraging van de overledene wanneer deze in zijn graf wordt gelegd; twee engelen komen tot hem en ondervragen hem over zijn Heer, zijn religie en zijn Profeet.

Het geloof in de engelen draagt grote vruchten, waaronder:

De eerste is: De kennis van de grootsheid van Allah, de Verhevene, Zijn kracht en Zijn heerschappij; want de grootsheid van de schepping wijst op de grootsheid van de Schepper.

Ten tweede: Dankbaarheid jegens Allah de Verhevene voor Zijn zorg voor de kinderen van Adam; aangezien Hij van deze engelen sommigen heeft belast met het beschermen van hen, het opschrijven van hun daden en het behartigen van hun overige belangen.

De derde: de liefde voor de engelen vanwege hun aanbidding van Allah, de Verhevene.

Een volk van de dwalenden heeft ontkend dat de engelen lichamen zijn en heeft gezegd dat zij slechts een uitdrukking zijn van de krachten van het goede die inherent zijn aan de schepselen. Dit is een verloochening van het Boek van Allah de Almachtige, de Soenna van Zijn Boodschapper, moge Allah hem zegenen en vrede schenken en de consensus van de moslims.

Allah, de Verhevene, zei: (Alle lofprijzingen en dank is aan Allah de Stichter van de hemelen en de aarde, Die de engelen tot boodschappers met vleugels – twee of drie of vier heeft gemaakt...) [Fatir:1].

De Verhevene zegt: (En als jij kon zien wanneer de engelen de zielen van de ongelovigen wegnamen, zij beukten op hun gezichten en hun ruggen...) [Al-Anfal:50].

De Verhevene zegt: (...En als je eens kon zien wanneer de onrechtvaardigen in doodsangst verkeren als de engelen hun handen reiken (zeggende): “Lever jullie zielen in;...) [Al-An'am:93].

En Allah zegt: (..Tot de angst uit hun harten is verbannen, zij vragen: “Wat is dat wat jullie Heer gezegd heeft?” Zij zeiden: “De waarheid. En Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste) [Saba'e:23].

De Verhevene zegt over de bewoners van het paradijs: (...En de engelen zullen door elke poort tot hen binnentreden (zeggende): Vrede zij met u vanwege uw geduld. Hoe voortreffelijk is de uiteindelijke woning) [Ar-Ra'd:23-24].

In Sahieh Al-Boekhari heeft Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden met hem zijn) overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) zei: «Wanneer Allah van een dienaar houdt, roept Hij Jibirel aan: “Waarlijk, Allah heeft liefde voor die-en-die, heb dus ook jij hem lief.” En Jibirel heeft hem lief. Vervolgens roept Jibirel onder de bewoners van de hemelen: “Allah heeft liefde voor die-en-die, heb hem dan ook lief.” En de bewoners van de hemelen hebben hem lief. Daarna wordt voor hem aanvaardheid en genegenheid gevestigd op aarde."[9]. [9] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek: Het Begin van de Schepping, Hoofdstuk: De vermelding van de Engelen, nummer (3037), en Moeslim: Boek: Vroomheid, het Onderhouden van Familiebanden en Goede Manieren, Hoofdstuk: Wanneer Allah een dienaar liefheeft, maakt Hij hem geliefd bij Zijn dienaren, nummer (2637).

Ook hierin heeft Aboe Hoeraira (moge Allah tevreden met hem zijn) overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: "Wanneer de vrijdag aanbreekt, staan bij iedere deur van de moskee engelen die nauwgezet noteren wie het eerst en wie daarna binnenkomt. Maar zodra de imam is gaan zitten, rollen zij hun registers op en komen zij luisteren naar de vermaning."[10] [10] Overgeleverd door Al-Boekhari: "Boek van de Vrijdag", Hoofdstuk over het luisteren naar de preek, nummer (887), en Moeslim: "Boek van de Vrijdag", Hoofdstuk over de deugd van het vroeg gaan op de vrijdag, nummer (850).

Deze teksten stellen expliciet dat de engelen lichamen zijn en geen abstracte krachten, zoals de dwalenden beweren en op basis van deze teksten zijn de moslims tot een consensus gekomen.

*

Het geloof in de Boeken

Boeken: het meervoud van 'boek', in de betekenis van 'het geschrevene'.

En hiermee worden de geschriften bedoeld die Allah heeft geopenbaard aan Zijn boodschappers, als een barmhartigheid voor de schepping en een leiding voor hen, opdat zij daarmee hun gelukzaligheid in deze wereld en het Hiernamaals bereiken.

Het geloof in de boeken omvat vier aspecten:

De eerste: Het geloof dat zij werkelijk van Allah afkomstig is.

De tweede: Het geloof in datgene waarvan wij bij name op de hoogte zijn gesteld: zoals de Koran die aan Mohammed (vrede zij met hem) is geopenbaard en de Tawraat die aan Moesa (vrede zij met hem) is geopenbaard. De Injîl (Evangelie) dat is geopenbaard aan Issa (vrede zij met hem), en de Zaboer die aan Dawoed, vrede zij met hem, werd gegeven, en wat we niet bij naam kennen; we geloven er in het algemeen in.

De derde: Geloven in wat authentiek is uit de berichten ervan, zoals de berichten van de Koran, en de berichten van wat niet is veranderd of vervalst in de eerdere boeken.

Ten vierde: Het naleven van de voorschriften die niet zijn afgeschaft en het aanvaarden en zich eraan onderwerpen, ongeacht of we de wijsheid ervan begrijpen of niet en alle voorgaande Boeken zijn opgeheven door de edele Koran. Allah, de Verhevene, zei: (En Wij hebben aan jou het boek in waarheid gestuurd, de boeken die vóór jou kwamen bevestigend...) [Al-Ma'idah:48] Dat wil zeggen: Als een oordeel hierover.

Daarom is het niet geoorloofd om naar enig voorschrift uit de eerdere geopenbaarde Schriften te handelen, behalve datgene waarvan de authenticiteit vaststaat en dat door de Koran is bekrachtigd.

En het geloof in de Boeken brengt nobele vruchten voort, waaronder:

De eerste: De kennis van de zorg van Allah, de Verhevene, voor Zijn dienaren; dat wil zeggen dat Hij voor elk volk een boek heeft geopenbaard waarmee Hij hen leidt.

De tweede: De kennis van de wijsheid van Allah de Almachtige in Zijn wetgeving, waarin Hij voor elk volk heeft vastgesteld wat bij hun omstandigheden past. Zoals Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (...Aan ieder van jullie hebben Wij een wet voorgeschreven en een duidelijke weg....) [Al-Ma'idah:48].

Ten derde: De dankbaarheid voor de zegening van Allah daarin.

*

Geloof in de Boodschappers

De boodschappers: meervoud van 'de boodschapper', met de betekenis van 'een gezondene', oftewel iemand die is uitgezonden om iets over te brengen.

Hier wordt bedoeld: degene uit de mensen aan wie een goddelijke wet is geopenbaard en die belast is met de opdracht deze boodschap over te brengen.

En de eerste van de boodschappers was Noeh vrede zij met hem en de laatste van hen was Mohammed moge de zegeningen en vrede van Allah met hem zijn.

Allah, de Verhevene, zei: (Wij hebben (ook) Noeh geïnspireerd en de profeten na hem...) [An-Nisa:163].

In Sahieh al-Boekharie rapporteerde Anas ibn Malik, moge Allah tevreden zijn met hem, in de hadith van de voorspraak, dat de profeet (vrede zij met hem): "Er wordt vermeld dat de mensen naar Adam komen om voor hen te bemiddelen, maar hij verontschuldigt zich en zegt: ''Ga naar Noeh, de eerste boodschapper die Allah heeft gestuurd.' En de rest van de hadith werd vermeld[11]. [11] Vermeld in Sahih Al-Boekhari: "Boek van de Tawhied", Hoofdstuk over de uitspraak van Allah, de Verhevene: 'wat Ik met Mijn beide Handen heb geschapen', nummer (7410), en in Sahih Moeslim: "Boek van het Geloof", Hoofdstuk over de laagste bewoner van het Paradijs in rang, nummer (193).

En Allah, de Verhevene, zegt over Mohammad (vrede zij met hem): (Mohammed is niet de vader van jullie, maar hij is een boodschapper van Allah, en de laatste van de profeten...) [Soera Al-Ahzab].

En geen enkel volk is zonder een boodschapper geweest die Allah de Verhevene met een onafhankelijke wet naar zijn volk zond of een profeet aan wie de wet van zijn voorganger werd geopenbaard om deze te vernieuwen. Allah, de Verhevene, zei: (En waarlijk, Wij hebben naar iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (verkondigend): “Aanbid alleen Allah en vermijd degene die overschrijdt....) [An-Nahl:36].

En Allah zegt: (...En er is nooit een volk geweest waar geen waarschuwer voor is geweest) [Fatir:24].

En Allah zegt: (Waarlijk, Wij hebben de Thora gezonden, daarin was leiding en licht waarmee de profeten, die zichzelf aan Allah Zijn wil onderwierpen, over de joden oordeelden...) [Al-Ma'idah:44].

De boodschappers zijn mensen van vlees en bloed, geschapen wezens en zij bezitten niets van de eigenschappen van Heerlijkheid of goddelijkheid. Allah, de Verhevene, zegt over Zijn profeet Mohammed — de voornaamste onder de gezanten en degene met de hoogste rang bij Allah —: (Zeg: “Ik bezit geen kracht ten gunste of ten nadele van mijzelf, behalve als Allah het wil. Als ik de kennis van het onzichtbare had, dan zou ik voor mijzelf een overvloed aan weelde veilig hebben gesteld en geen kwaad zou mij aanraken. Ik ben alleen maar een waarschuwer, een brenger van goede berichten voor de mensen die geloven 188) [Al-A'raf:188] .

De Verhevene zegt: (Zeg: “Het is niet in mijn (de Profeet Mohammed vrede zij met hem) macht om jullie enig kwaad te doen noch om jullie tot het rechte pad te brengen.” Zeg: “Niemand kan mij tegen Allah beschermen en ik zal buiten Hem geen toevlucht vinden 22) [Al-Djinn:21-22].

Zij zijn onderhevig aan menselijke eigenschappen: zoals ziekte, de dood, de behoefte aan voedsel en drank, en dergelijke. Allah, de Verhevene, zegt over Ibrahim (vrede zij met hem), toen hij zijn Heer, de Verhevene, beschreef: (En het is Hij (de Voorziener en Begunstiger) Die mij te eten en te drinken geeft. En wanneer ik ziek ben, is Hij het Die mij geneest. En het is Hij Die mij doet sterven en vervolgens tot leven wekt 81) [Ash-Shu'ara:79-81].

En de profeet, vrede zij met hem, zei: "Ik ben slechts een mens zoals jullie, ik vergeet zoals jullie vergeten, dus als ik vergeet, herinner mij er dan aan" [12]. [12] Overgeleverd door Al-Boekhari in "het Boek van de Qibla", hoofdstuk over het richten naar de Qibla, waar men ook is, nummer (392), en door Moeslim in "het Boek van de Moskeeën en Gebedsplaatsen", hoofdstuk over onachtzaamheid in het gebed, en de neerknieling ervoor, nummer (572).

Allah, de Verhevene, heeft hen met dienaarschap aan Hem beschreven op hun meest verheven posities en in de context van de lofprijzing voor hen; Zo zei Allah, de Verhevene, over Noeh (Allah's zegen en vrede zij met hem): (...Waarlijk, hij was een dankbare dienaar) [Al-Issra:3], En hij zei over Mohammed (vrede zij met hem): (Gezegend is Hij (Allah) Die het onderscheid (de Koran) naar beneden heeft gezonden aan Zijn dienaar (Mohammed) zodat hij een waarschuwer voor de werelden zal zijn 1) [Al-Foerqan: 1].

En Allah zei over Ibrahim, Ishaaq en Ya'qoeb (vrede zij met hen): (En gedenk Onze dienaren: Ibrahiem, Isaac en Yacoeb, (alle) eigenaren van kracht en van religieus begrip. Wij hebben hen uitgekozen met een zuivere herinnering aan het hiernamaals. En voorwaar, zij behoren bij Ons tot de uitverkorenen, de besten 47) [Sad: 45-47]

En Hij zei over Issa, de zoon van Maryam: (Hij (Isa) was niet meer dan een dienaar maar Wij gaven hem Onze gunst en Wij maakten hem tot een voorbeeld (profeet) voor de Kinderen van Israël 59...) [Az-Zukhruf:59].

Het geloof in de Boodschappers omvat vier zaken:

Het eerste: Het geloof dat hun boodschap waar is en van Allah, de Verhevene, komt. Wie de boodschap van één van hen verwerpt, verwerpt hen allen. Zoals Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Het volk van Noeh verloochende de Boodschappers 105 ) [Ashoe'ara:105] Daarom maakte Allah hen tot loochenaars van alle boodschappers, hoewel er geen andere boodschapper was dan hij toen zij hem loochenden, En op grond hiervan geldt dat de christenen die Mohammed (vrede zij met hem) hebben geloochend en hem niet hebben gevolgd, daarmee ook de Messias, zoon van Maria, loochenen en hem evenmin werkelijk volgen, zeker aangezien hij hun de komst van Mohammed (vrede zij met hem) heeft verkondigd. En de betekenis van die blijde verkondiging kan geen andere zijn dan dat hij een gezant tot hen is, door wie Allah hen uit de dwaling bevrijdt en hen leidt naar een rechte weg.

De tweede: het geloof in degenen van hen van wie wij de naam kennen, zoals Mohammed, Ibrahim, Moesa, Isa en Noeh, moge Allah hun allen Zijn zegeningen en vrede schenken. En deze vijf zijn de vastberadenen onder de boodschappers, en Allah, de Verhevene, heeft hen op twee plaatsen in de Koran genoemd in Zijn woorden: En (gedenk) toen Wij van de Profeten hun verbond afnamen en van jou, en van Noeh, Ibraahiem, Moesa en Isa de zoon van Maryam. Wij namen van hen een sterk verbond af. [Al-Ahzab:7]. En Hij zegt: (Hij heeft voor jullie een (wetgevende) godsdienst voorgeschreven zoals Hij het (allereerst aan) Noeh heeft opgelegd en net zoals Wij die aan jou (Mohammed) geopenbaard hebben. En zoals Wij dit aan Ibrahiem, Moesa en Isa hebben opgelegd, Namelijk om het geloof na te leven en zonder onderlinge verdeeldheid. Onverdraagzaam voor de afgodenaanbidders is datgene waartoe jij (O Mohammed) oproept. Allah koos voor zichzelf wie hij wil en leidt tot zichzelf wie zich tot Hem in berouw en gehoorzaamheid keert 13) [Ash-Shoera:13].

En wat betreft degenen van wie we hun naam niet kennen; we geloven in hen in het algemeen, Allah de Verhevene zei: (En voorwaar Wij hebben boodschappers vóór jou gestuurd: van sommigen van hen hebben Wij jou het verhaal verteld en van sommigen van hen hebben Wij jou het verhaal niet verteld...) [Ghafir:78].

De derde: Geloven in wat authentiek van hen is overgeleverd uit hun berichten.

De vierde: Het handelen naar de Sharia van degene die naar ons is gezonden, namelijk hun laatste, Mohammed (vrede zij met hem), die naar de gehele mensheid is gezonden. Allah de Verhevene zegt: (Maar nee, bij jullie Heer, zij kunnen geen geloof hebben tot zij jou voor al hun geschillen tot hun rechter maken en bij zichzelf geen weerstand voelen in jouw beslissingen en (die) volledig accepteren 65) [An-Nisa'e:65].

Het geloof in de boodschappers heeft nobele vruchten, waaronder:

De eerste is: De kennis van de genade van Allah, de Verhevene, en Zijn zorg ten opzichte van Zijn dienaren; want Hij heeft profeten naar hen gezonden om hen naar het pad van Allah, de Verhevene, te leiden en hen te leren hoe zij Allah moeten aanbidden, omdat het menselijk verstand niet in staat is dit zelfstandig te weten.

De tweede: Het dankbaar zijn jegens Hem, de Verhevene, voor deze grootste zegening.

De derde: De liefde voor de Boodschappers (vrede zij met hen) en hun verheerlijking, en het prijzen van hen met datgene wat hen past; omdat zij de Boodschappers van Allah, de Verhevene, zijn, en omdat zij Hem hebben aanbeden, Zijn boodschap hebben overgebracht en Zijn dienaren hebben geadviseerd.

En de halsstarrigen hebben hun gezanten geloochend, bewerend dat de gezanten van Allah, de Verhevene, onmogelijk mensen kunnen zijn. Allah, de Verhevene, heeft deze bewering vermeld en haar weerlegd met Zijn verheven Woord: (En niets weerhoudt de mens van het geloven als de leiding tot hen komt, behalve dat zij zeggen: “Heeft Allah een mens als boodschapper gestuurd?” Zeg: “Als er op aarde engelen waren die rustig rondliepen, zouden Wij zeker een engel als boodschapper vanuit de hemel naar hen hebben gezonden 95) [Al-Issra:94-95].

En Allah, de Verhevene, heeft deze bewering weerlegd door te stellen dat de boodschapper noodzakelijkerwijs een mens moet zijn, omdat hij is gezonden tot de bewoners van de aarde en zij zijn mensen. En als de bewoners van de aarde engelen waren geweest, dan zou Allah voor hen uit de hemel een engel als gezant hebben neergezonden, opdat hij van gelijke aard zou zijn als zij. En zo heeft Allah, de Verhevene, verhaald dat de ontkenners van de boodschappers zeiden: (...Jullie zijn niets anders dan mensen zoals wij! Jullie wensen dat wij ons afkeren van wat onze vaders gewoonlijk aanbaden. Geef ons dan een duidelijk bewijs.” Hun boodschappers zeiden tot hen: “Wij zijn niets anders dan mensen zoals jullie, maar Allah schenkt Zijn gunst aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet aan ons om jullie een bewijs te brengen, behalve met de toestemming van Allah...) [Ibrahim:10-11].

*

Het geloof in de Laatste Dag

De Laatste Dag: de Dag des Oordeels waarop de mensen worden opgewekt voor rekenschap en beloning.

En het wordt zo genoemd omdat er geen dag na komt, waarin de mensen van het Paradijs in hun verblijven zullen worden geplaatst en de mensen van het Hellevuur in hun verblijven zullen worden geplaatst.

Het geloof in de Laatste Dag omvat drie zaken:

De eerste: Het geloof in de wederopstanding: Het is het doen herleven van de doden wanneer er voor de tweede keer in de bazuin wordt geblazen; dan zullen de mensen opstaan voor de Heer der Werelden, blootsvoets, naakt en onbesneden. Zoals Allah zegt: (...zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen) (Al-Anbiya:104).

En de wederopstanding is een vaststaande waarheid, bewezen door het Boek, de Soenna en de consensus van de moslims.

Allah, de Verhevene, zei: (En hierna, zullen jullie zeker sterven. En op de Dag der Opstanding zullen jullie worden opgewekt 16) [Al-Moe'minoen:15-16].

En de profeet, vrede zij met hem, zei: "Op de Dag des Oordeels zullen de mensen worden opgewekt naakt, blootsvoets en onbesneden" [13]. Overgeleverd door Al-Boekhari en Moeslim. [13] Overgeleverd door Moeslim, het Boek van het Paradijs, de beschrijving van haar genietingen en haar bewoners, hoofdstuk over het vergaan van de wereld en de uitleg over de verzameling op de Dag der Opstanding, nummer (2859).

En er is unanimiteit onder de moslims over de onomstotelijkheid ervan en dit is een vereiste van de Wijsheid; aangezien zij vereist dat Allah, de Verhevene, voor deze schepping een eindbestemming vaststelt, waarin Hij hen vergeldt voor wat Hij voor hen heeft voorgeschreven via de boodschappers die Hij heeft gezonden. Allah zegt: (Denken jullie (nou echt) dat Wij jullie (zomaar) hebben geschapen zodat (jullie jezelf in onachtzaamheid) kunnen vermaken, zonder dat jullie niet tot ons zullen terugkeren? 115) [Al-Moe'minoen:115] En Hij zei tot Zijn Profeet (vrede zij met hem): (Waarlijk, Hij Die jou de Koran gegeven heeft zal jou zeker terug brengen naar de plaats van terugkeer...) [Al-Qasas:85].

Ten tweede: het geloof in de afrekening en de vergelding. De dienaar wordt ter verantwoording geroepen voor zijn daden en overeenkomstig beloond of bestraft. Dit wordt bevestigd door het Boek, de Soenna en de consensus van de moslims.

Allah, de Verhevene, zei: (Waarlijk, tot Ons zullen zij terugkeren. Vervolgens is het aan Ons om hun rekenschap te vragen 26) [Al-Ghashiyah:25-26]. De Verhevene zegt: (Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergoeding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden 160) [Al-An'am:160] En Allah zegt: (Op de Dag der Opstanding zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En als er het gewicht van een mosterdzaadje is zullen Wij het brengen. En Wij volstaan als Berekenaars 47) [Al-Anbiya:47].

Van Ibn Omar (moge Allah tevreden zijn met hen beiden) dat de profeet (vrede zij met hem en zijn familie) zei: "Allah brengt de gelovige dichtbij Hem, omhult hem met Zijn bescherming – dat wil zeggen: Zijn bedekking – en verbergt hem. Dan zegt Hij: ‘'Ken je die bepaalde zonde? Ken je die bepaalde zonde?’ En hij antwoordt: ‘'Ja, o mijn Heer.’' Wanneer Allah hem zijn zonden heeft laten erkennen en de gelovige vreest in zichzelf dat hij verloren is, zegt Hij: ‘'Ik heb ze voor jou verborgen in het wereldse leven en vandaag vergeef Ik ze jou.’' Vervolgens ontvangt hij het boek van zijn goede daden. Wat betreft de ongelovigen en de hypocrieten: zij worden in het bijzijn van alle schepselen uitgeroepen: ‘'Dit zijn degenen die leugens verzonnen over hun Heer. Weet dat de vervloeking van Allah op de onrechtplegers rust.'' [14] Overgeleverd door Al-Boekhari en Moeslim. [14] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van het onrecht, hoofdstuk over de uitspraak van Allah de Verhevene: {Zeker, de vloek van Allah rust op de onrechtplegers}, nummer 2309, en door Moeslim: Boek van het berouw, hoofdstuk over de aanvaarding van het berouw van de moordenaar, ook al heeft hij veelvuldig gemoord, nummer 2768.

Overgeleverd van de Profeet (vrede zij met hem): "Wie een goede daad voorneemt en die vervolgens verricht, schrijft Allah voor hem tien goede daden tot zevenhonderdvoud en zelfs tot vele malen meer. En wie een slechte daad voorneemt en die vervolgens uitvoert, schrijft Allah voor hem slechts één slechte daad” [15]. [15] Overgeleverd door Moeslim: Boek van het Geloof, hoofdstuk: Wanneer de dienaar de intentie heeft een goede daad te verrichten, wordt deze opgeschreven en wanneer hij de intentie heeft een slechte daad te verrichten, wordt deze niet opgeschreven, nummer (131).

En de moslims zijn het erover eens dat er een afrekening en vergelding voor de daden bestaat. Dit volgt uit de wijsheid, want Allah, de Verhevene, heeft de Boeken neergezonden, de Boodschappers gestuurd en de dienaren verplicht om te aanvaarden wat zij hebben gebracht en te handelen naar hetgeen men van hen moet verrichten. Hij heeft het gevecht tegen degenen die zich verzetten voorgeschreven en hun levens, nakomelingen, vrouwen en bezittingen toegestaan. Want indien er geen rekenschap en geen vergelding was, zou dit tot de zinloosheid behoren waar de Wijze Heer boven verheven is. En Allah de Verhevene heeft hiernaar verwezen met Zijn woorden: (Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie het was gestuurd en waarlijk, Wij zullen de boodschappers ondervragen. Dan zeker, zullen Wij hen met kennis vertellen en Wij waren niet afwezig. 7) [Al-A'raf:6-7].

De derde: Het geloof in het Paradijs en het Hellevuur en dat zij de eeuwige eindbestemming voor de schepping zijn.

Het Paradijs is het huis van het eeuwige genot dat Allah, de Verhevene, heeft bereid voor de gelovige vromen: degenen die geloven in hetgeen Allah hen verplicht heeft te geloven en die de gehoorzaamheid aan Allah en Zijn Boodschapper onderhouden, oprecht zijn jegens Allah en de Boodschapper volgen. Daarin zullen zij genieten van allerlei vormen van zaligheid. "Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat niet in het hart van een mens is opgekomen" [16]، Allah, de Verhevene, zei: (Waarlijk, degenen die geloven met al zijn verplichtingen en goede daden verrichten, zij zijn de beste schepselen. Hun beloning bij hun Heer zijn de Tuinen van Eden, waar de rivieren onderdoor stromen, zij zullen daarin voor eeuwig verblijven. Allah is tevreden met hen en zij zijn tevreden met Hem. Dat is voor degene die zijn Heer vreest 8) [Al-Bayyinah: 7-8] De Verhevene zegt: (Niemand weet wat voor hen verborgen is gehouden (na de dood) aan verkoeling voor de ogen (plezier), als een beloning voor wat zij plachten te doen 17) [As-Sadjda: 17] [16] Overgeleverd door Al-Boekhari: Kitaab at-Tafsier, hoofdstuk Zijn Uitspraak: (Zo weet een ziel niet wat voor verheugende beloning voor hen is weggelegd), onder nummer (4501), en Moeslim: Kitaab al-Djannah wa Sifati Na'iemiehaa wa Ahliehaa, onder nummer (2824).

En wat betreft de Hellevuur: het is de verblijfplaats van de bestraffing die Allah heeft voorbereid voor de onrechtvaardige ongelovigen die Hem ontkenden en Zijn boodschappers ongehoorzaam waren, waarin zich onvoorstelbare vormen van bestraffing en kwelling bevinden. Allah, de Verhevene, zei: (En vrees het vuur dat voor de ongelovigen is voorbereid 131) (Al-Imran:131) De Verhevene zegt: (En zeg: “De waarheid is van jullie Heer.” Ieder die wil, laat hem geloven en ieder die niet wil, kan ongelovig zijn. Waarlijk, Wij hebben voor de onrechtvaardigen een vuur voorbereid waarvan de muren hen zullen omringen. En als zij om hulp schreeuwen dan worden zij te hulp geschoten water krijgen als kokende olie, dat hun gezichten zal wegbranden. Vreselijk om te drinken en een kwade verzamelplaats 29) [Al-Kahf: 29] De Verhevene zegt: (Waarlijk, Allah heeft de ongelovigen vervloekt en heeft voor hen een laaiend vuur voorbereid, waarin zij voor eeuwig zullen verblijven. Zij zullen geen beschermer noch helper vinden.65 Op de dag dat hun gezichten in het vuur worden omgekeerd, zullen zij zeggen: ''O, hadden wij Allah maar gehoorzaamd en de Boodschapper gehoorzaamd'' 66) [Al-Ahzab:64-66].

Het geloof in de Laatste Dag heeft nobele vruchten, waaronder:

De eerste: Het verlangen en de ijver om daden van gehoorzaamheid te verrichten, hopend op de beloning van die Dag.

De tweede: Vrees voor het begaan van de ongehoorzaamheid en voor het ermee instemmen; uit vrees voor de bestraffing op die Dag.

De Derde: De gelovige troosten voor wat hem ontgaat van het wereldse leven met de hoop op het genot en de beloning van het hiernamaals.

De ongelovigen ontkenden de wederopstanding na de dood, met de bewering dat dit onmogelijk is.

Deze bewering is ongeldig en de ongeldigheid ervan wordt bewezen door de religieuze wetgeving, de zintuiglijke waarneming en de rede.

Wat betreft de religieuze wetgeving; Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (De ongelovigen doen zich voor dat zij nooit zullen herrijzen. Zeg: Welzeker! Bij mijn Heer, jullie zullen zeker verrijzen en dan zal jullie verteld worden wat jullie hebben gedaan, en dat is gemakkelijk voor Allah 7) [At-Taghaboen:7]. Alle hemelse boeken zijn hierover overeengekomen.

Wat betreft het zintuiglijke bewijs: Allah heeft Zijn dienaren in dit wereldse leven het tot leven wekken van de doden laten zien. In Soera al-Baqara staan daarvan vijf voorbeelden, namelijk:

Het eerste voorbeeld: het volk van Moessa, toen zij tegen hem zeiden: (...Wij zullen je nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien...) [Al-Baqara: 55], Daarop deed Allah hen sterven, daarna wekte Hij hen tot leven, En hierover zegt Allah, de Verhevene, tot de kinderen van Israël: (En (herinner je) wanneer jullie zeiden: “O Moesa! Wij zullen je nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien.” Maar jullie werden door de bliksem gegrepen toen jullie keken.55 Daarna wekten Wij jullie op na jullie dood, opdat jullie dankbaar zouden zijn 56) [Al-Baqara:55-56].

Het tweede voorbeeld: in het verhaal van de vermoorde man om wie de kinderen van Israël twistten. Allah, de Verhevene, beval hen een koe te slachten en hem met een deel daarvan te slaan, zodat hij hen zou vertellen wie hem had gedood. Over dit voorval zegt Allah, de Verhevene: (En (herinner je) toen jullie een man hadden gedood en je een ander daarvoor beschuldigden. Maar Allah liet alles zien wat jullie verborgen. Toen zeiden Wij: ''Sla hem met een deel ervan.'' Zo wekt Allah de doden tot leven en toont Hij jullie Zijn tekenen, opdat jullie zullen begrijpen 73) [Al-Baqarah:72-73].

Het derde voorbeeld: in het verhaal van het volk dat met duizenden hun woonplaatsen verliet, op de vlucht voor de dood; Allah deed hen sterven en wekte hen vervolgens weer tot leven. Hierover zegt Allah: (Heb jij niet gedacht over degenen die uit hun huizen wegetrokken zijn met duizenden tegelijk, de dood vrezend? Allah zei tegen hen: “Sterf”. En toen bracht Hij hen weer tot leven. Waarlijk, Allah is vol gaven voor de mensheid, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar 243) [Al-Baqarah:243].

Het vierde voorbeeld: in het verhaal van degene die langs een verwoeste, dode nederzetting kwam en het onwaarschijnlijk achtte dat Allah, de Verhevene, haar weer tot leven zou brengen. Allah liet hem daarop honderd jaar sterven en wekte hem daarna weer tot leven. Over dit voorval zegt Allah, de Verhevene: (Of (denk aan) degene die langs een nederzetting kwam die verwoest lag, ingestort op haar gewelven. Hij zei: ‘'Hoe zal Allah deze na haar dood weer tot leven brengen?’ Daarop liet Allah hem honderd jaar sterven en wekte hem vervolgens weer tot leven. Allah zei: ‘'Hoe lang ben je gebleven?'’ Hij antwoordde: ‘'Ik ben een dag gebleven, of een deel van een dag.’' Hij zei: ‘'Nee, je bent honderd jaar gebleven. Kijk naar je voedsel en je drank: er is geen bederf in gekomen. En kijk naar je ezel. Zo maken Wij jou tot een teken voor de mensen. En kijk naar de beenderen: hoe Wij ze weer opheffen en vervolgens met vlees bekleden.’' Toen het hem duidelijk was geworden, zei hij: '‘Ik weet dat Allah Almachtig is over alle dingen.'' 259) [Al-Baqarah:259].

Het vijfde voorbeeld: in het verhaal van Ibrahiem, de Vriend van Allah, toen hij Allah, de Verhevene, vroeg hem te tonen hoe Hij de doden tot leven wekt. Allah, de Verhevene, beval hem vier vogels te slachten, hun delen te verdelen over de omringende bergen en hen daarna te roepen. Daarop voegden de delen zich weer samen en kwamen zij haastig naar Ibrahiem toe. Over dit voorval zegt Allah, de Verhevene: (En (gedenk) toen Ibrahiem zei: ‘'Mijn Heer, toon mij hoe U de doden tot leven wekt.’ Hij zei: ‘'Geloof je dan niet?’' Hij antwoordde: ‘'Zeker, maar opdat mijn hart tot rust moge komen.’' Hij zei: ‘'Neem vier vogels, breng ze naar je toe, verdeel hen in delen en leg vervolgens op iedere berg een deel van hen. Roep hen dan; zij zullen haastig naar jou komen. Weet dat Allah Almachtig en Alwijs is.'' 260). [Al-Baqarah:260].

Dit zijn tastbare, daadwerkelijke voorbeelden die aantonen dat het tot leven wekken van de doden mogelijk is. Reeds werd verwezen naar de tekenen waarmee Allah, de Verhevene, ‘Isa, de zoon van Maryam, heeft begiftigd: dat hij (met Allahs toestemming) de doden tot leven wekte en hen uit hun graven deed komen.

En wat betreft het bewijs van het verstand: dit is op twee manieren:

De eerste: dat Allah, de Verhevene, de Schepper is van de hemelen en de aarde en wat zich daarin bevindt, Die hen in eerste instantie heeft geschapen en dat Degene die in staat is de schepping te initiëren, niet onmachtig is om het te herhalen. Allah zegt: (En Hij is het Die de schepping vormt, daarna zal het zich herhalen en dit is gemakkelijk voor Hem...) [Ar-Roem:27]. En Allah zegt: (...zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen.) (Al-Anbiya:104). En Hij zei, als een bevel om degene te weerleggen die ontkende dat de botten weer tot leven gebracht worden terwijl ze vergaan zijn: (Zeg (o Mohammed) tegen hen: “Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping! 79) [Yasin:79].

De tweede: dat de aarde dood en levenloos is, zonder een groene boom; dan daalt er regen op neer, waarna zij trilt, groen en levend wordt en van elk prachtig soort voortbrengt. Degene die haar na haar dood tot leven wekt, is zeker in staat de doden tot leven te wekken. Allah de Verhevene heeft gezegd: (En onder Zijn tekenen is dat je de aarde onvruchtbaar ziet, maar Wij sturen daar water naar toe en dan is vol leven en groei. Waarlijk, Hij Die het leven geeft, zeker (Hij) is in staat om de doden tot leven te brengen (en ook om onze dode harten levend te maken). Voorwaar! Hij is tot alle zaken in staat 39) [Foessilat:39] De Verhevene zegt: (En Wij hebben gezegend water uit de hemel naar beneden gestuurd vervolgens maken Wij daarmee tuinen en graan en hoge palmbomen met gestapelde vruchten als voorziening voor de dienaren; en Wij hebben daarmee een dode stad tot leven gebracht. Zo is de opstanding.11 [Qaaf:9-11].

Bij het geloof in de Laatste Dag sluit eveneens aan: het geloof in alles wat na de dood plaatsvindt, zoals:

(a) De beproeving van het graf: dit is het ondervragen van de overledene, nadat hij begraven is, over zijn Heer, zijn religie en zijn profeet. Dan schenkt Allah standvastigheid aan degenen die geloven, met het vaste woord, zodat hij zal zeggen: “Mijn Heer is Allah, mijn religie is de Islam en mijn profeet is Mohammed (vrede zij met hem).” En Allah laat de onrechtplegers dwalen, dan zegt de ongelovige: Hah, hah, ik weet het niet en de huichelaar of de twijfelaar zegt: Ik weet het niet, ik hoorde de mensen iets zeggen en dus zei ik het na.

(b) De bestraffing en het genot in het graf: Zo is deze voor de onrechtplegers vanonder de huichelaars en de ongelovigen. Allah de Verhevene heeft gezegd: (...En als je eens kon zien wanneer de onrechtvaardigen in doodsangst verkeren als de engelen hun handen reiken (zeggende): “Lever jullie zielen in; deze dag zal jullie betaald gezet worden met een bestraffing van vernedering vanwege wat jullie over Allah anders zeiden dan de waarheid. En jullie verwierpen Zijn tekenen met hoogmoed) [Al-An'am:93].

En de Verhevene zegt over het volk van de farao: (Zij zullen aan het vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag en op de Dag wanneer het Uur tot uitvoering wordt gebracht (zal er tegen de engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan! 46) [Ghafir:46].

In Sahih Moeslim, overgeleverd door Zaid ibn Thabit (moge Allah tevreden met hem zijn), over de Profeet (vrede zij met hem), dat hij heeft gezegd: "Ware het niet dat jullie elkaar niet meer zouden begraven, dan zou ik Allah hebben gesmeekt om jullie te laten horen van de bestraffing van het graf die ik hoor." Daarop wendde hij zijn gezicht en zei: 3 Ze zeiden: Wij zoeken onze toevlucht bij Allah tegen de bestraffing van de Hellevuur, waarop hij zei: "Zoek toevlucht bij Allah tegen de straf van het graf" Zij antwoordden: "Wij zoeken onze toevlucht bij Allah tegen de straf van het graf." Hij zei: "Zoek toevlucht bij Allah tegen de beproevingen, zowel de openlijke als de verborgene" Zij zeiden: "Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen de beproevingen, zowel de openlijke als de verborgene." Hij zei: "Zoek toevlucht bij Allah tegen de beproeving van de Dajjaal" Ze zeiden: "Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen de beproeving van de valse Messias (de Antichrist)"[17]. [17] Overgeleverd door Moeslim: Boek van het Paradijs en de beschrijving van haar zegeningen en haar bewoners, hoofdstuk over het tonen van de zitplaats van de overledene uit het Paradijs of het Hellevuur aan hem en de bevestiging van de bestraffing in het graf en het zoeken van toevlucht daartegen, onder nummer (2867).

En wat het genot in het graf betreft: dit is voor de oprechte gelovigen. Allah de Verhevene zegt: (Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is (alleen) Allah,” en dan recht staan (in geloof), voor hen zullen de engelen neer dalen (zeggende): “Vrees niet noch wees bedroefd! Maar ontvang het goede nieuws van het paradijs wat jullie beloofd is! 30) [Foessilat:30].

En Allah zegt: (Waarom bemiddelen jullie niet wanneer (de ziel van een stervende) de keel bereikt? En jullie op dat moment toekijken. En Wij zijn dichter bij hem dan jullie, maar jullie zien niet. Waarom, als jullie niet ter verantwoording worden geroepen, brengen jullie het niet terug, als jullie waarachtig zijn? Maar als hij tot de nabijgestelden behoort, dan is er rust en welriekende planten en een tuin van genot 89) [Al-Waqi'a:83-89].

Overgeleverd door Al-Baraa' ibn 'Aazib (moge Allah tevreden met hem zijn) dat de Profeet (vrede zij met hem) zei over de gelovige wanneer hij de twee engelen in zijn graf antwoordt: "Een oproeper vanuit de hemel zal roepen: 'Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken. Spreid voor hem een bedding uit het paradijs uit, kleed hem met kleding uit het paradijs en open voor hem een deur naar het paradijs.' Hij zei: 'Dan zullen de verfrissing en de heerlijke geur ervan hem bereiken en zijn graf zal voor hem worden verruimd zover het oog reikt" Overgeleverd door Ahmed en Aboe Dawoed in een lange hadith[18]. [18] Overgeleverd door Aboe Daawoed: Boek van de Soenna, hoofdstuk over de ondervraging in het graf en de bestraffing van het graf, nummer (4753), en Ahmed: Moesnad van de Koefanen, hadith van Al-Baraa’ ibn ‘Aazib, nummer (18534).

En een dwalende groep onder de mensen van afwijking heeft de bestraffing van het graf en zijn genietingen geloochend, stellende dat dit onmogelijk zou zijn omdat het strijdig is met de waarneembare werkelijkheid. Zij zeiden: “Want als men het lichaam van de overledene in zijn graf zou ontbloten, zou men hem aantreffen zoals hij was en het graf zou geen enkele verandering hebben ondergaan noch in verruiming, noch in benauwdheid.

En deze bewering is ongeldig volgens de wetgeving, de zintuiglijke waarneming en de rede:

Wat de Islamitische wetgeving betreft: de bewijsteksten voor de bevestiging van de bestraffing en het genot in het graf zijn reeds voorafgegaan.

En in Sahih Al-Boekhari, in een hadith van Ibn 'Abbas (moge Allah tevreden met hen beiden zijn), die zei: "De Profeet (vrede zij met hem) kwam uit een van de tuinen van Medina en hoorde het geluid van twee mensen die in hun graven bestraft werden en hij vermeldde de hadith, en daarin staat: "dat één van hen zich niet beschermde tegen de urine" In een andere overlevering staat: "Van zijn urine" "en dat de ander een verspreider van laster was," In een overlevering bij Moeslim: "Hij zuivert zich niet van de urine"[19]. [19] Overgeleverd door Al-Boekhari: Boek van de Wassing, hoofdstuk: Het wassen van urine, nummer (215).

Wat de zintuiglijke ervaring betreft: de slapende kan in zijn droom zien dat hij zich bevindt in een ruime, lichtende plek waarin hij geniet, of dat hij zich in een benauwde, sombere ruimte bevindt die hem pijnigt en soms ontwaakt hij zelfs door hetgeen hij in die droom heeft aanschouwd. Desondanks bevindt hij zich op zijn bed in zijn kamer, in de staat waarin hij verkeert en de slaap is de broer van de dood; daarom noemde Allah, Verheven en Heilig zij Hij, het: (een wegneming). Allah, Verheven en Heilig zij Hij, zei: "Het is Allah Die de zielen afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de zielen) van de levenden die (tijdelijk) inslapen. (Dan) houdt Hij de zielen achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug...) [Az-Zumar:42].

Wat het verstand betreft: de slaper ziet in zijn droom een ware visie die overeenkomt met de werkelijkheid en soms ziet hij de Profeet (vrede zij met hem) in zijn ware verschijning; en wie hem in zijn ware verschijning ziet, heeft hem werkelijk gezien. Desondanks is de slaper in zijn kamer op zijn bed, ver verwijderd van wat hij zag. Indien dit mogelijk is in de wereldse aangelegenheden, is het dan niet evenzeer mogelijk in de aangelegenheden van het hiernamaals?

En wat betreft hun bewering dat, indien het graf van de dode zou worden geopend, men hem zou aantreffen zoals hij was, zonder dat het graf ook maar enigszins verruimd of vernauwd leek te zijn daarop is het antwoord te geven vanuit verschillende invalshoeken, waaronder:

Ten eerste: het is niet toegestaan om hetgeen de religieuze wetgeving heeft gebracht te weerspreken met dergelijke ongegronde en twijfelachtige argumenten, waarvan de tegenstander de ongeldigheid zou inzien, indien hij dat waarlijk zou overpeinzen. En er is gezegd:

En hoevelen bekritiseren een juiste uitspraak.

En zijn gebrek ligt in een gebrekkig, onzuiver begrip.

De tweede: De toestanden van de Barzakh behoren tot de zaken van het onwaarneembare, die niet door de zintuigen waargenomen kunnen worden. Want als zij wel door de zintuigen waargenomen konden worden, zou het nut van het geloof in het onwaarneembare verloren gaan en zouden de gelovigen in het onwaarneembare en de ontkenners gelijk zijn in hun bevestiging ervan.

De derde: De bestraffing, de zegeningen, de ruimtelijkheid van het graf en de benauwdheid ervan worden enkel door de overledene waargenomen en door niemand anders. Dit is vergelijkbaar met een slaper die in zijn droom ziet dat hij zich in een benauwde en onheilspellende plaats bevindt, of in een ruime en aangename plaats, terwijl degenen om hem heen dat niet zien noch voelen. De Profeet (vrede zij met hem) ontving openbaring terwijl hij zich onder zijn Metgezellen bevond; hij hoorde de openbaring, maar de Metgezellen hoorden deze niet. Soms verscheen de engel aan hem in de gedaante van een man en sprak met hem, terwijl de Metgezellen de engel noch zagen, noch hoorden.

De vierde: Dat het bevattingsvermogen van de schepping beperkt is tot datgene wat Allah, de Verhevene, hen in staat heeft gesteld te bevatten en het is voor hen niet mogelijk om al het bestaande te bevatten. Want de zeven hemelen, de aarde en wie zich daarin bevinden; alles prijst Allah met een waarachtige lofprijzing, die Allah, de Verhevene, soms laat horen aan wie Hij wil van Zijn schepping. Niettemin is Hij voor ons verborgen, en hierover zegt Allah, de Verhevene: (De zeven hemelen en de aarde en alles wat daarin is verheerlijken Hem en er is niets dat Hem niet verheerlijkt met zijn lofprijzingen. Maar jullie begrijpen hun verheerlijking niet...) [Al-Issra:44] En zo trekken de duivels en de djinn heen en weer over de aarde en de djinn kwamen naar de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem), luisterden naar zijn recitatie en gaven aandachtig gehoor en keerden terug naar hun volk als waarschuwers. En ondanks dit zijn zij voor ons verborgen en hierover zegt Allah de Verhevene: (O kinderen van Adam! Laat Shaytaan jullie niet bedriegen (door hem te volgen). Want hij heeft ervoor gezorgd dat jullie ouders het paradijs moesten verlaten en hij heeft hen van hun kleding ontdaan om hun geslachtsdelen te tonen. Waarlijk, hij (de duivel) en zijn trawanten zien jullie op een manier waarop jullie dat niet kunnen. Waarlijk, Wij hebben de duivels aangesteld als helpers (en zielsverwanten) van de ongelovigen. 27) [Al-A'raf:27]. Wanneer de schepselen niet alles wat bestaat waarnemen, dan is het hun niet toegestaan om te ontkennen wat is vastgesteld van de zaken van het ongeziene, die zij niet hebben waargenomen.

*

Het geloof in het Lot

De voorbeschikking: Allah's bepaling voor de schepselen, overeenkomstig Zijn voorafgaande kennis en hetgeen Zijn wijsheid vereiste.

Het geloof in het lot omvat vier zaken:

De eerste: geloven dat Allah, de Verhevene, alomvattende kennis bezit van alles (in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid) ongeacht of het betrekking heeft op Zijn eigen daden of op de daden van Zijn dienaren.

De tweede: het geloof dat Allah, de Verhevene, dit heeft vastgelegd in de Welbewaarde Tafel. Over deze beide aangelegenheden zegt Allah, de Verhevene: (Weet jij niet dat Allah alles weet wat in de hemel is en op aarde? Waarlijk, het is (allemaal) in het Boek. Waarlijk! Dat is gemakkelijk voor Allah 70) [Al-Hadj:70].

En in Sahih Moeslim, overgeleverd van 'Abdullah ibn 'Amr ibn al-'Ās (moge Allah tevreden zijn met hen beiden), dat hij zei: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zeggen:” "Allah bepaalde het lot van de schepselen vijftigduizend jaar voordat Hij de hemelen en de aarde schiep"[20]. [20] Overgeleverd door Moeslim: Boek van de Voorbeschikking, hoofdstuk over de discussie tussen Adam en Moesa, vrede zij met hen beiden, nummer (2653).

De derde: het geloof dat alle bestaansvormen slechts tot stand komen door de wil van Allah, de Verhevene, ongeacht of zij betrekking hebben op Zijn eigen handelen, dan wel op het handelen van de geschapen wezens. Allah, de Verhevene, zegt met betrekking tot wat Zijn handelen betreft: (En jullie Heer schept wat Hij wil en kiest...) [Al-Qasas:68]. En Hij zegt: (....En Allah doet wat Hij wil) [Ibrahim:27] En Hij zegt: (Hij is het die jullie in de baarmoeder gevormd heeft zoals Hij wil...) [Aal Imran 3:6] En Allah, de Verhevene, zegt met betrekking tot het handelen van de schepselen: (...Als Allah het gewild had, zou Hij zeker hen macht over jullie gegeven hebben en zij zouden jullie bevochten hebben....) [An-Nisaa:90] En Hij zegt: (....Als jullie Heer het gewild had, dan zouden zij dit niet gedaan hebben, laat hen dus met hun bedenksels) [Al-An'am:112].

De vierde: Het geloof dat alle wezens door Allah, de Verhevene, zijn geschapen met hun eigen essentie, eigenschappen en bewegingen; Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Allah is de Schepper van alle zaken en Hij is de Zaakwaarnemer over alle zaken 62) [Az-Zoemar:62] En Hij (Verheven is Hij) zei: (....En Hij heeft alles geschapen en heeft het precies bepaald) [Al-Furqān:2]. En Allah, de Verhevene, zei over Zijn profeet Ibrahim (vrede zij met hem) dat hij tegen zijn volk zei: (Terwijl Allah jullie en wat jullie doen, heeft geschapen! 96) [Soerat As-Saffat: 96]

Het geloof in de goddelijke beschikking (zoals wij deze hebben uiteengezet) staat er geenszins aan in de weg dat de dienaar een eigen wil bezit in zijn vrijwillige handelingen en over het vermogen beschikt deze te verrichten; want zowel de openbaring als de waarneembare werkelijkheid getuigen ondubbelzinnig van het bestaan daarvan bij hem.

Wat betreft de Sharie'ah: Allah, de Verhevene, heeft over de Wil gezegd: (....laat dus iedereen die dat wil zich tot zijn Heer keren) [An-Naba:39] En Hij zegt: (...kom dus naar jullie akker (seksueel contact met jullie vrouwen), wanneer en hoe jullie maar willen...) [Al-Baqarah:223]. En Hij zegt over de Almacht: (Onderhoud jullie verplichtingen t.o.v. Allah zover jullie daartoe in staat zijn en luister en gehoorzaam...) [At-Taghaboen:16] En Hij zegt: (Allah belast niemand boven zijn vermogen. Hij ontvangt beloning voor het (goede) wat hij verricht heeft en (alléén) hij wordt belast met de zonden die hijzelf heeft begaan....) [Al-Baqara:286].

Wat de ervaringswerkelijkheid betreft: ieder mens weet van zichzelf dat hij een wil en een vermogen bezit, waardoor hij handelt en waardoor hij nalaat. Hij maakt duidelijk onderscheid tussen wat voortkomt uit zijn eigen wilsbesluit (zoals het gaan) en wat zich zonder zijn wil voordoet, zoals een onwillekeurige trilling. Niettemin zijn zowel de wil als het vermogen van de dienaar zelf onderworpen aan de wil en de macht van Allah, de Verhevene, zoals Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Aan ieder onder jullie die het rechte pad bewandelen wil 28. En jullie willen niet, behalve als Allah, de Heer der werelden, het wil. 29) [Soerat At-Takwier: 28, 29] En omdat het gehele universum tot de heerschappij van Allah, de Verhevene, behoort, kan er in Zijn heerschappij niets plaatsvinden zonder Zijn kennis en Zijn wil.

En het geloof in het lot (zoals wij hebben beschreven) geeft de dienaar geen rechtvaardiging voor de verplichtingen die hij heeft nagelaten of de zonden die hij heeft begaan. En daarom is zijn beroep hierop ongeldig om meerdere redenen:

De eerste: Het woord van Allah, de Verhevene: (Degenen die deelgenoten aan Allah toekenden, zullen zeggen: “Als Allah het gewild had, dan zouden wij geen deelgenoten aan Hem toekennen, noch zouden onze vaders (dat doen), en wij zouden niets (tegen Zijn wil) verboden hebben.” Op dezelfde manier loochenden degenen die voor hen waren hen, tot zij Onze proefden. Zeg: “Hebben jullie enige kennis dat je voor Ons kan produceren? Waarlijk, jullie volgen niets dan gissingen en jullie doen niets anders dan liegen 148) [Al-An'am:148] Als zij een verweer hadden in de Goddelijke Voorbeschikking, zou Allah hen Zijn bestraffing niet laten proeven.

De tweede: De woorden van Allah, de Verhevene: (Boodschappers zijn dragers van goed nieuws en van waarschuwingen om te zorgen dat de mensheid niet tegen Allah pleit, nadat de Boodschappers (gekomen zijn). En Allah is altijd Almachtig, Alwijs 165) [An-Nisa'e:165] Als de voorbeschikking een argument was voor de ongehoorzamen, dan zou het zenden van de Boodschappers dit argument niet ontkrachten; want de ongehoorzaamheid na hun zending gebeurt eveneens door de voorbeschikking van Allah, de Verhevene.

De derde: Wat is overgeleverd door Al-Boekhari en Moeslim en de bewoording is van Al-Boekhari van Ali ibn Abi Talib (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de Profeet (vrede zij met hem) zei: "Voor eenieder van jullie is zijn plaats in het Vuur of in het Paradijs reeds geschreven." Een man van het volk vroeg: "Zullen we er dan niet op vertrouwen, O Boodschapper van Allah?" Hij zei: "Neen, verricht de daden, want ieder wordt daartoe op zijn wijze geleid." Vervolgens reciteerde hij: (Zoals hij die geeft (omwille van Allah) en Hem vreest 5) [Al-Lail:5]. En in een formulering bij Moeslim: "Want voor eenieder wordt datgene gemakkelijk gemaakt waarvoor hij geschapen is"[21] De profeet (vrede zij met hem) gebood tot handelen en verbood het zich verlaten op de voorbestemming. [21] Overgeleverd door Al-Boekharie: Boek van het Lot (al-Qadar), hoofdstuk: “En het bevel van Allah was een vastgesteld lot”, nummer 6605. En door Moeslim: Boek van het Lot, hoofdstuk: “Over hoe de mens wordt geschapen in de buik van zijn moeder, en hoe zijn voorziening, zijn levensduur, zijn daden, zijn ongeluk en zijn geluk worden vastgelegd”, nummer (2647).

De vierde: Dat Allah, de Verhevene, de dienaar heeft bevolen en verboden, en hem niet heeft belast boven zijn vermogen. Allah, de Verhevene, heeft gezegd: (Onderhoud jullie verplichtingen t.o.v. Allah zover jullie daartoe in staat zijn en luister en gehoorzaam...) [At-Taghaboen:16] En Hij zegt: (Allah belast niemand boven zijn vermogen...) [Al-Baqara:286] Indien de dienaar gedwongen zou zijn tot de daad, dan zou hij verplicht worden tot iets waaraan hij niet kan ontkomen en dit is ongeldig; om die reden, indien een overtreding door hem wordt begaan uit onwetendheid, vergeetachtigheid of dwang, rust er geen zonde op hem, omdat hij verontschuldigd is.

De vijfde: Het Lot van Allah, de Verhevene, is een verborgen geheim dat niet bekend wordt behalve na het plaatsvinden van het voorbeschikte. De wil van de dienaar ten aanzien van wat hij doet gaat vooraf aan zijn daad; zijn wil is dus de daad zelf, maar niet gebaseerd op kennis van het Lot van Allah. In dat geval vervalt zijn aanspraak op het Lot, aangezien er geen argumentatie voor een mens kan bestaan omtrent datgene waarvan hij geen kennis heeft.

De zesde: We zien dat de mens streeft naar wat hem schikt in zijn wereldse zaken, totdat hij het bereikt en er niet van afwijkt naar wat hem niet schikt; waarom wijkt hij dan af van wat hem baat in de zaken van zijn religie naar wat hem schaadt en beroept hij zich vervolgens op de Voorbeschikking? Is de aard van beide zaken dan niet één en dezelfde?

En hier volgt een verduidelijkend voorbeeld hiervan:

Indien een mens twee wegen voor zich had: De ene leidt naar een land waar enkel chaos heerst, moord, plundering, schending van de eer, vrees en honger. En de andere leidt naar een land waar orde, algehele veiligheid, een welvarend bestaan en respect voor het leven, de eer en bezittingen heersen. Welke van de twee wegen zou hij dan bewandelen?

Hij zal de tweede weg volgen die leidt naar het land van orde en veiligheid, en geen enkel weldenkend persoon kan de weg van het land van chaos en angst volgen en zich beroepen op de Qadar (de Goddelijke Voorbeschikking). Waarom bewandelt men dan, als het om het Hiernamaals gaat, de weg naar het Hellevuur en niet die naar het Paradijs, en beroept men zich op de voorbeschikking?

Een ander voorbeeld: Wij zien de zieke die een geneesmiddel wordt opgedragen; hij drinkt het, hoewel zijn innerlijk het niet begeert. Hem wordt het voedsel verboden dat hem schaadt; hij laat het staan, hoewel zijn innerlijk het juist begeert. Dit alles doet hij omwille van genezing en welzijn. Het is hem dan ook onmogelijk om het drinken van het geneesmiddel na te laten of het schadelijke voedsel te eten en zich daarbij op de Goddelijke Voorbeschikking te beroepen. Waarom laat de mens dan na wat Allah en Zijn Boodschapper hebben bevolen of doet hij wat Allah en Zijn Boodschapper hebben verboden, en beroept zich vervolgens op de voorbeschikking?

De zevende: Wanneer iemand zich op het Lot beroept voor wat hij nalaat van plichten of voor de zonden die hij begaat, bijvoorbeeld als iemand hem iets afneemt of zijn eer schendt en hij vervolgens zegt: “Beschuldig mij niet, want mijn daad was het Lot van Allah”, wordt zijn beroep op het Lot niet aanvaard. Hoe kan dan het beroepen op het Lot aanvaard worden wanneer iemand een ander benadeelt, terwijl hij zich zelf op hetzelfde Lot beroept wanneer hij het recht van Allah, de Verhevene, schendt?!

En het wordt verteld dat de Emir der Gelovigen, Omar ibn Al-Khattaab (moge Allah tevreden met hem zijn), een dief ter berechting werd voorgelegd die de hand afgesneden moest krijgen. De man zei: “Wacht even, O Emir der Gelovigen, ik heb slechts gestolen door het Lot van Allah.” Waarop Omar antwoordde: “Wij snijden ook slechts door het Lot van Allah.”

Het geloof in de voorbeschikking heeft voortreffelijke vruchten, namelijk:

Ten eerste: Het vertrouwen op Allah de Verhevene bij het gebruiken van de middelen, zodanig dat men niet op het middel zelf vertrouwt; omdat alles door de voorbeschikking van Allah de Verhevene is.

Ten tweede: Dat men zich niet moet verheugen of zich op zichzelf moet beroemen bij het bereiken van zijn doel, want het bereiken daarvan is een zegen van Allah, de Verhevene, door wat Hij heeft bepaald van de oorzaken van het goede en het succes. Zichzelf verheerlijken doet men de dankbaarheid voor deze zegen vergeten.

De derde: Gemoedsrust en innerlijke vrede met hetgeen dat gebeurt volgens de Lotsbeschikking van Allah, de Verhevene. Men raakt niet verontrust over het verlies van iets geliefds, noch over het verkrijgen van iets onaangenaams, want alles geschiedt door het Lot van Allah, aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde behoort en wat Hij bepaalt, geschiedt onvermijdelijk. Daarover zegt Allah, de Verhevene: (Geen ramp treft de aarde (onvruchtbaarheid), noch jullie (zoals ziekte of verlies van kinderen) of het staat genoteerd in het boek van de beslissingen (zelfs) voordat Wij het tot uitvoering brengen. (En weet) dat dit (uiterst) gemakkelijk is voor Allah. Opdat jullie niet treuren over wat jullie is ontgaan, noch verheugd zijn over wat Hij jullie heeft gegeven. En Allah houdt niet van elke verwaande opschepper 23) [Al-Hadid:22-23], En de Profeet (vrede zij met hem) zei: "Verbazingwekkend is de situatie van de gelovige. Alles wat hem overkomt is goed voor hem en dit geldt alleen voor de gelovige. Als hem iets goeds overkomt, is hij dankbaar en dat is goed voor hem, en als hem iets slechts overkomt, is hij geduldig en dat is ook goed voor hem" [22]. [22] Overgeleverd door Moeslim: Boek van de Ascese en de Hartverzachters, Hoofdstuk: De gelovige, al zijn zaken zijn goed, nummer (2999).

Inzake de Goddelijke Voorbeschikking zijn twee groeperingen afgedwaald:

Het eerste punt: de Jabriyyah, die zeiden: De dienaar is gedwongen in zijn handelen en heeft daarin geen wil of vermogen.

De tweede: Al-Qadariyyah, die zeiden: dat de dienaar onafhankelijk is in zijn handelen wat betreft de wil en de macht en dat de wil van Allah, de Verhevene, en Zijn macht hierin geen invloed hebben.

Het weerleggen van de eerste groepering (Al-Djabriyyah) met religieuze en feitelijke bewijzen:

Wat betreft de Goddelijke Wetgeving: Allah, de Verhevene, heeft voor de dienaar een eigen wil en intentie bevestigd en de daad aan hem toegeschreven. Allah de Verhevene zegt: (...Onder jullie bevinden zich enkele (dienaren) die van deze wereld houden (ten koste van het geloof), en andere die (ondanks hun rechtmatig deel van de buit) van het hiernamaals houden...) [Al-Imran:152], En Allah zegt: (En zeg: “De waarheid is van jullie Heer.” Ieder die wil, laat hem geloven en ieder die niet wil, kan ongelovig zijn. Waarlijk, Wij hebben voor de onrechtvaardigen een vuur voorbereid waarvan de muren hen zullen omringen...) [Al-Kahf: 29], De Verhevene zegt: (Iedereen die goede daden verricht doet dit ten nutte van zichzelf en iedereen die kwaad doet schaadt zichzelf en jullie Heer is niet onrechtvaardig voor (Zijn) dienaren. 46) [Foessilat:46].

Wat de werkelijkheid betreft: iedere mens weet het verschil tussen zijn vrijwillige daden, die hij uit eigen wil verricht (zoals eten, drinken, verkopen en kopen) en datgene wat hem overkomt zonder zijn wil, zoals beven door koorts of vallen van een dak. In het eerste geval is hij een handelend subject, vrijwillig en zonder dwang; in het tweede geval handelt hij niet uit eigen keuze en is hij niet verantwoordelijk voor wat hem overkomt.

De weerlegging van de tweede groepering (Al-Qadariyyah) op basis van de Wetgeving en de rede:

Wat de Sharīʿah betreft: Allah, de Verhevene, is de Schepper van alles, en alles vindt plaats volgens Zijn wil. En Allah, de Verhevene, heeft in Zijn Boek duidelijk gemaakt dat de daden van de dienaren volgens Zijn wil plaatsvinden, en Hij zegt: (...En als Allah het gewild had, dan hadden opeenvolgende generaties niet met elkaar gevochten nadat de duidelijke verzen van Allah tot hen gekomen waren, maar zij verschillen van mening, sommigen van hen geloven en anderen geloven niet. Als Allah het gewild had dan hadden zij niet tegen elkaar gevochten, maar Allah doet wat Hij wil) [Al-Baqara:253], En Allah zegt: (En als Wij het gewild hadden, zeker! Zouden Wij ieder persoon zijn leiding gegeven hebben maar het woord van Mij heeft het gevolg dat Ik de hel met zowel djinn als mensen zal vullen 13) [As-Sadjda:13].

Wat het verstand betreft: Het gehele universum is bezit van Allah de Verhevene en de mens is onderdeel van dit universum; daarom is hij bezit van Allah de Verhevene, en het bezit kan niet beschikken over het eigendom van de Bezitter, behalve met Zijn toestemming en Zijn wil.

*

Doelstellingen van de Islamitische geloofsleer

Het doel (taalkundig): wordt toegepast op meerdere betekenissen, waaronder: (het doelwit dat wordt opgesteld om naar te schieten en alles wat beoogd wordt).

De doelstellingen van de Islamitische geloofsleer: Het betreft haar doeleinden en nobele einddoelen die voortvloeien uit de naleving ervan. Deze zijn talrijk en gevarieerd en hiertoe behoren:

Ten eerste: De zuiverheid van intentie en aanbidding uitsluitend voor Allah, de Verhevene; want Hij is de Schepper, zonder deelgenoten. Daarom moet de gerichtheid en aanbidding uitsluitend tot Hem zijn.

Ten tweede: De bevrijding van het verstand en het denken van de chaotische verwarring die voortkomt uit de afwezigheid van deze geloofsleer in het hart; want wie deze geloofsleer in zijn hart ontbeert, is ofwel verstoken van elke geloofsovertuiging en aanbidt enkel de zintuiglijke materie, ofwel is hij verward in de dwalingen van geloofsovertuigingen en bijgeloof.

Ten derde: Innerlijke en intellectuele rust, zonder onrust in de ziel of verwarring in de gedachten. Omdat deze geloofsleer de gelovige met zijn Schepper verbindt, is hij tevreden met Hem als besturende Heer en oordelende Wetgever. Zijn hart vindt daardoor rust in Zijn lotsbeschikking en opent zich voor de Islam, zodat hij er geen alternatief voor zoekt.

Ten vierde: De rechtschapenheid van intentie en handeling, vrij van afdwaling in de aanbidding van Allah of in de omgang met de schepselen; want tot de fundamenten ervan behoort het geloof in de boodschappers, wat het volgen van hun rechtschapen weg in intentie en handeling inhoudt.

Ten vijfde: Vastberadenheid en ijver in alle zaken, door elke kans op een rechtschapen daad te benutten, hopend op de beloning, en elke situatie die tot zonde kan leiden te vermijden, uit vrees voor de bestraffing; want tot de fundamenten hiervan behoren het geloof in de Wederopstanding en de vergelding voor de daden.

Allah, de Verhevene, zei: (Voor allen zullen er graden (in de rangen) zijn voor wat zij gedaan hebben. En jullie Heer is zich niet onbewust van wat zij doen 132) [Al-An'am:132] En de Profeet (vrede zij met hem) heeft tot dit doel aangespoord in zijn uitspraak: "De sterke gelovige is beter en geliefder bij Allah dan de zwakke gelovige, hoewel er in beiden goed is. Streef naar wat je ten goede komt, vraag hulp aan Allah en wees niet zwak. En als je iets overkomt, zeg dan niet: 'Als ik dit of dat had gedaan, zou het zo of zo zijn gegaan,' maar zeg: 'Allah heeft het voorbestemd en wat Hij wil, doet Hij,' want 'als' opent de handelingen van de duivel." Overgeleverd door Moeslim[23]. [23] Overgeleverd door Moeslim: Boek van het Lot, hoofdstuk over het bevel tot kracht, het afzien van zwakheid, het vragen van hulp aan Allah en het toevertrouwen van het lot aan Allah, nummer (2664).

De Zesde: De vorming van een sterke gemeenschap die alles opoffert, zowel het kostbare als het geringe, voor de versterking van haar religie en de consolidatie van zijn fundamenten, zich niet bekommerend om wat haar op die weg overkomt. En hierover zegt Allah de Verhevene: (Voorwaar, de gelovigen zijn degenen die in Allah en Zijn boodschapper geloven, vervolgens geen twijfel koesteren en strijden met hun bezittingen en hun levens op de weg van Allah. Zij zijn het die de waarachtigen zijn 15) [Al-Hoedjurat: 15].

Ten zevende: Het bereiken van het geluk in dit leven en het hiernamaals door het rectificeren van de individuen en de gemeenschappen en het verkrijgen van de beloning en de eerbewijzen. En hierover zegt Allah, de Verhevene: (Al wie goede daden verricht – of het nu om mannen of vrouwen gaat – in de staat van een ware gelovige (door afstand te nemen van ongeloof, ongehoorzaamheid en zonden), schenken Wij een begerenswaardig leven (gevuld met ware geluk en voldoening en toegestane voorzieningen) en (in het hiernamaals) zullen Wij hen vast en zeker een beloning geven die in overeenstemming zal zijn met het beste van de verrichte daden 97) [An-Nahl:97].

Dit zijn enkele doelen van de Islamitische geloofsleer. Wij vragen Allah de Verhevene deze voor ons en voor alle moslims te verwezenlijken. Voorwaar, Hij is vrijgevig en edelmoedig. En alle lof zij Allah, de Heer der werelden.

Moge Allah vrede en zegeningen schenken aan onze Profeet Mohammed, zijn familie en al zijn metgezellen.

Voltooid met de pen van haar auteur.

Mohammed Al-Salih Al-Uthaymeen