Skip to content
840 Hadiths

Encyclopedie van de profetische hadiths

Resultaten filteren

35 van 840 kaarten

Filters wissen
"Wanneer mensen een onrechtvaardige zien en hem niet tegenhouden, is het bijna zeker dat Allah hen allen zal straffen met een bestraffing van Hem."££
Authentiek Overgeleverd door Aboe Dawoed, At-Tirmidi, An-Nasa'i in al-Kubra, Ibn Maja en Ahmed
"Op een keer liep Ḥawlaaʾ bint Tuwait ibn Ḥabieb ibn Asad ibn ʿAbd al-ʿUzza voorbij, terwijl de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) bij mij zat. Ik zei tegen hem: ''Dat is Ḥawlaa bint Tuwait. Er wordt gezegd dat zij de nachten doorwaakt en nauwelijks slaapt.'' Daarop zei de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): ''Zij waakt de nachten door? Neemt van de daden slechts wat jullie kunnen volhouden. Want, bij Allah, Allah wordt niet moe totdat jullie het moe worden.'' ''
Authentiek Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Een van de grootste vormen van jihad is het uitspreken van een rechtvaardig woord tegen een tirannieke heerser.
Goed door andere ketens Overgeleverd door Aboe Dawoed, At-Tirmidhi, Ibn Maja en Ahmed
"Er zullen leiders opstaan, en jullie zullen herkennen en afkeuren. Wie hen herkent en afkeurt, zal onschuldig zijn. Maar wie hen erkent en volgt, zal gered zijn." Ze vroegen: "Moeten we dan niet tegen hen vechten?" Hij antwoordde: "Nee, niet zolang ze het gebed verrichten."
Authentiek Overgeleverd door Moeslim
Degene onder jullie die een slechte daad ziet, laat hem deze met zijn hand veranderen. Als hij daartoe niet in staat is, dan met zijn tong. En als hij daartoe niet in staat is, dan met zijn hart. En dat is het zwakste niveau van geloof
Authentiek Overgeleverd door Moeslim
"Wanneer een dienaar ziek wordt of op reis gaat, wordt voor hem geschreven (aan beloning) wat hij normaal zou doen in goede gezondheid."
Authentiek Overgeleverd door Al-Boekhari
"Ieder van jullie is een herder en ieder is verantwoordelijk voor zijn kudde. Een leider van mensen is een herder en hij is verantwoordelijk voor hen. Een man is de herder van zijn familie en hij is verantwoordelijk voor hen. Een vrouw is de herder van het huis van haar man en zijn kinderen en zij is verantwoordelijk voor hen. Een dienaar is de herder van het geld van zijn meester en hij is verantwoordelijk voor het beheer ervan. Dus, ieder van jullie is een herder en ieder is verantwoordelijk voor zijn kudde".
Authentiek Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
"Er was eens, vóór jullie tijd, een koning die beschikte over een tovenaar. Toen die tovenaar ouder werd, zei hij tegen de koning: 'Ik ben oud geworden, zend mij een jonge knaap zodat ik hem de kunst van de magie kan onderwijzen.' De koning zond hem daarop een jongen. Op weg naar de tovenaar passeerde de jongen dagelijks een monnik, bij wie hij neerzat en zijn woorden beluisterde, wat hem diep raakte. Zo werd het zijn gewoonte om, telkens wanneer hij naar de tovenaar ging, langs de monnik te passeren en bij hem te vertoeven. Maar telkens hij bij de tovenaar aankwam, sloeg deze hem. De jongen klaagde zijn lot bij de monnik, die hem zei: 'Wanneer je bang bent voor de tovenaar, zeg dan: Mijn familie hield me tegen. En wanneer je vreest voor je familie, zeg dan: De tovenaar hield me tegen.' Op een dag trof hij een enorm dier aan dat de mensen de doorgang versperde. Hij zei: 'Vandaag zal ik weten of de tovenaar waardevoller is of de monnik.' Hij nam een steen en sprak: 'O Allah, als de zaak van de monnik geliefder is bij U dan die van de tovenaar, dood dan dit dier, zodat de mensen hun weg kunnen vervolgen.' Hij wierp de steen en doodde het dier, waarna de mensen hun weg vervolgden. De jongen ging naar de monnik en vertelde hem wat er gebeurd was. De monnik zei: 'Mijn zoon, vandaag ben jij beter dan ik. Jouw zaak is tot een niveau gestegen dat ik zie dat Allah jou beproevingen zal opleggen. Wanneer je wordt beproefd, verraad mij dan niet.' De jongen genas de blinden, de melaatsen en hielp de mensen bij allerlei kwalen. Een hoveling van de koning, die blind was geworden, hoorde over hem en bracht hem kostbare geschenken. Hij zei: 'Al dit moois is voor jou als je mij geneest.' De jongen antwoordde: 'Ik genees niemand; slechts Allah geneest. Als je in Allah gelooft, zal ik voor je bidden en zal Hij je genezen.' De man geloofde, en Allah genas hem. Hij keerde terug naar de koning en zat naast hem, zoals hij vroeger deed. De koning vroeg: 'Wie gaf jou je zicht terug?' De man antwoordde: 'Mijn Heer.' De koning zei: 'Heb jij een andere Heer dan ik?' De man antwoordde: 'Mijn Heer en jouw Heer is Allah.' De koning greep hem en martelde hem tot hij de jongen aanwees. De jongen werd gebracht. De koning vroeg hem: 'Mijn zoon, zover is jouw magie gekomen dat je blinden en melaatsen geneest, en nog meer?' De jongen zei: 'Ik genees niemand; slechts Allah geneest.' De koning martelde hem tot hij de monnik aanwees. De monnik werd gebracht. Men zei: 'Keer terug van je religie.' Hij weigerde. Men haalde een zaag en plaatste die op zijn hoofd, en spleet hem doormidden. Vervolgens werd de koninklijke hoveling gebracht. Ook hij werd bevolen terug te keren van zijn geloof. Hij weigerde. Men spleet hem eveneens met de zaag tot hij in tweeën viel. De jongen werd gebracht. Ook hem werd bevolen zijn geloof te verloochenen, maar hij weigerde. De koning gaf hem over aan een groep van zijn volgelingen en zei: 'Breng hem naar de top van die-en-die berg. Als hij terugkeert van zijn religie, laat hem dan leven, zo niet, werp hem van de berg.' Zij namen hem mee naar boven. Daarop bad de jongen: 'O Allah, bescherm mij tegen hen op de wijze die U wenst.' De berg beefde, zij stortten neer, en de jongen keerde te voet terug naar de koning. De koning vroeg: 'Wat is er met je metgezellen gebeurd?' De jongen zei: 'Allah heeft hen van mij verwijderd.' De koning gaf hem over aan anderen en beval: 'Neem hem mee op zee, tot midden op het water. Als hij terugkeert van zijn geloof, laat hem dan leven, zo niet, gooi hem overboord.' Op zee bad de jongen: 'O Allah, bescherm mij tegen hen op de wijze die U wenst.' Het schip kapseisde, zij verdronken, en de jongen keerde te voet terug naar de koning. De koning vroeg: 'Wat is er met je metgezellen gebeurd?' De jongen zei: 'Allah heeft hen van mij verwijderd.' Vervolgens zei hij tegen de koning: 'U zult mij niet kunnen doden tenzij u doet wat ik u zeg.' De koning vroeg: 'Wat is dat dan?' De jongen antwoordde: 'Verzamel het volk op een open plein. Knoop mij vast aan een paal. Neem een pijl uit mijn koker. Plaats die in het midden van de boog. Zeg vervolgens: In de naam van Allah, de Heer van de jongen. En schiet op mij. Slechts dan zult u mij kunnen doden.' De koning verzamelde het volk, bond de jongen aan de paal, nam een pijl uit zijn koker, plaatste die in de boog, zei: 'In de naam van Allah, de Heer van de jongen', en schoot. De pijl trof de jongen in zijn slaap. Hij legde zijn hand op de wond en stierf. De mensen riepen: 'Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen!' Dit werd de koning gemeld. Men zei: 'Ziet u wat u vreesde? Het heeft u getroffen: de mensen hebben geloofd.' Daarop gaf de koning bevel greppels te graven aan de stadswegen, deze te vullen met vuur en te zeggen: 'Wie niet terugkeert van zijn geloof, werp hem daarin, of laat hem springen.' Zij deden wat bevolen was, tot een vrouw met haar kind naderde. Zij aarzelde uit angst voor het vuur. Toen sprak het kind, nog een zuigeling: 'Moeder, wees standvastig, want jij bent op de Waarheid.'"
Authentiek Overgeleverd door Moeslim