Skip to content
840 Hadiths

Encyclopedie van de profetische hadiths

Resultaten filteren

12 van 840 kaarten

Filters wissen
"Er was eens een man — ik ken niemand die verder van de moskee woonde dan hij — en toch miste hij geen enkele gebedsdienst. Men zei tegen hem, of ik zei het zelf tegen hem: “Waarom koop je geen ezel, zodat je daarop kunt rijden bij duisternis of in de verzengende hitte?” Daarop antwoordde hij: “Ik zou er geen genoegen in scheppen als mijn huis pal naast de moskee stond! Ik wens juist dat mijn voetstappen naar de moskee en mijn terugkeer naar huis allemaal voor mij worden opgetekend.” Toen zei de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): “Allah heeft dat allemaal voor jou samengebracht.”
Authentiek Overgeleverd door Moeslim
"Op een keer liep Ḥawlaaʾ bint Tuwait ibn Ḥabieb ibn Asad ibn ʿAbd al-ʿUzza voorbij, terwijl de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) bij mij zat. Ik zei tegen hem: ''Dat is Ḥawlaa bint Tuwait. Er wordt gezegd dat zij de nachten doorwaakt en nauwelijks slaapt.'' Daarop zei de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): ''Zij waakt de nachten door? Neemt van de daden slechts wat jullie kunnen volhouden. Want, bij Allah, Allah wordt niet moe totdat jullie het moe worden.'' ''
Authentiek Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
"Wanneer een dienaar ziek wordt of op reis gaat, wordt voor hem geschreven (aan beloning) wat hij normaal zou doen in goede gezondheid."
Authentiek Overgeleverd door Al-Boekhari
"Er was eens, vóór jullie tijd, een koning die beschikte over een tovenaar. Toen die tovenaar ouder werd, zei hij tegen de koning: 'Ik ben oud geworden, zend mij een jonge knaap zodat ik hem de kunst van de magie kan onderwijzen.' De koning zond hem daarop een jongen. Op weg naar de tovenaar passeerde de jongen dagelijks een monnik, bij wie hij neerzat en zijn woorden beluisterde, wat hem diep raakte. Zo werd het zijn gewoonte om, telkens wanneer hij naar de tovenaar ging, langs de monnik te passeren en bij hem te vertoeven. Maar telkens hij bij de tovenaar aankwam, sloeg deze hem. De jongen klaagde zijn lot bij de monnik, die hem zei: 'Wanneer je bang bent voor de tovenaar, zeg dan: Mijn familie hield me tegen. En wanneer je vreest voor je familie, zeg dan: De tovenaar hield me tegen.' Op een dag trof hij een enorm dier aan dat de mensen de doorgang versperde. Hij zei: 'Vandaag zal ik weten of de tovenaar waardevoller is of de monnik.' Hij nam een steen en sprak: 'O Allah, als de zaak van de monnik geliefder is bij U dan die van de tovenaar, dood dan dit dier, zodat de mensen hun weg kunnen vervolgen.' Hij wierp de steen en doodde het dier, waarna de mensen hun weg vervolgden. De jongen ging naar de monnik en vertelde hem wat er gebeurd was. De monnik zei: 'Mijn zoon, vandaag ben jij beter dan ik. Jouw zaak is tot een niveau gestegen dat ik zie dat Allah jou beproevingen zal opleggen. Wanneer je wordt beproefd, verraad mij dan niet.' De jongen genas de blinden, de melaatsen en hielp de mensen bij allerlei kwalen. Een hoveling van de koning, die blind was geworden, hoorde over hem en bracht hem kostbare geschenken. Hij zei: 'Al dit moois is voor jou als je mij geneest.' De jongen antwoordde: 'Ik genees niemand; slechts Allah geneest. Als je in Allah gelooft, zal ik voor je bidden en zal Hij je genezen.' De man geloofde, en Allah genas hem. Hij keerde terug naar de koning en zat naast hem, zoals hij vroeger deed. De koning vroeg: 'Wie gaf jou je zicht terug?' De man antwoordde: 'Mijn Heer.' De koning zei: 'Heb jij een andere Heer dan ik?' De man antwoordde: 'Mijn Heer en jouw Heer is Allah.' De koning greep hem en martelde hem tot hij de jongen aanwees. De jongen werd gebracht. De koning vroeg hem: 'Mijn zoon, zover is jouw magie gekomen dat je blinden en melaatsen geneest, en nog meer?' De jongen zei: 'Ik genees niemand; slechts Allah geneest.' De koning martelde hem tot hij de monnik aanwees. De monnik werd gebracht. Men zei: 'Keer terug van je religie.' Hij weigerde. Men haalde een zaag en plaatste die op zijn hoofd, en spleet hem doormidden. Vervolgens werd de koninklijke hoveling gebracht. Ook hij werd bevolen terug te keren van zijn geloof. Hij weigerde. Men spleet hem eveneens met de zaag tot hij in tweeën viel. De jongen werd gebracht. Ook hem werd bevolen zijn geloof te verloochenen, maar hij weigerde. De koning gaf hem over aan een groep van zijn volgelingen en zei: 'Breng hem naar de top van die-en-die berg. Als hij terugkeert van zijn religie, laat hem dan leven, zo niet, werp hem van de berg.' Zij namen hem mee naar boven. Daarop bad de jongen: 'O Allah, bescherm mij tegen hen op de wijze die U wenst.' De berg beefde, zij stortten neer, en de jongen keerde te voet terug naar de koning. De koning vroeg: 'Wat is er met je metgezellen gebeurd?' De jongen zei: 'Allah heeft hen van mij verwijderd.' De koning gaf hem over aan anderen en beval: 'Neem hem mee op zee, tot midden op het water. Als hij terugkeert van zijn geloof, laat hem dan leven, zo niet, gooi hem overboord.' Op zee bad de jongen: 'O Allah, bescherm mij tegen hen op de wijze die U wenst.' Het schip kapseisde, zij verdronken, en de jongen keerde te voet terug naar de koning. De koning vroeg: 'Wat is er met je metgezellen gebeurd?' De jongen zei: 'Allah heeft hen van mij verwijderd.' Vervolgens zei hij tegen de koning: 'U zult mij niet kunnen doden tenzij u doet wat ik u zeg.' De koning vroeg: 'Wat is dat dan?' De jongen antwoordde: 'Verzamel het volk op een open plein. Knoop mij vast aan een paal. Neem een pijl uit mijn koker. Plaats die in het midden van de boog. Zeg vervolgens: In de naam van Allah, de Heer van de jongen. En schiet op mij. Slechts dan zult u mij kunnen doden.' De koning verzamelde het volk, bond de jongen aan de paal, nam een pijl uit zijn koker, plaatste die in de boog, zei: 'In de naam van Allah, de Heer van de jongen', en schoot. De pijl trof de jongen in zijn slaap. Hij legde zijn hand op de wond en stierf. De mensen riepen: 'Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen!' Dit werd de koning gemeld. Men zei: 'Ziet u wat u vreesde? Het heeft u getroffen: de mensen hebben geloofd.' Daarop gaf de koning bevel greppels te graven aan de stadswegen, deze te vullen met vuur en te zeggen: 'Wie niet terugkeert van zijn geloof, werp hem daarin, of laat hem springen.' Zij deden wat bevolen was, tot een vrouw met haar kind naderde. Zij aarzelde uit angst voor het vuur. Toen sprak het kind, nog een zuigeling: 'Moeder, wees standvastig, want jij bent op de Waarheid.'"
Authentiek Overgeleverd door Moeslim
"Elke daad van vriendelijkheid jegens mensen is een vorm van liefdadigheid. Elke dag waarop de zon opkomt, geldt als een liefdadigheid. Het helpen van een persoon om zijn lastdier te beladen of zijn bezittingen daarop te bevestigen, is liefdadigheid. Een vriendelijk woord is liefdadigheid. Elke stap die wordt genomen naar het gebed toe, wordt beschouwd als liefdadigheid. Het verwijderen van schadelijke obstakels van de weg is liefdadigheid".
Authentiek Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
Toen Aboe Talib op zijn sterfbed lag, kwam de boodschapper van Allah (vrede zij met hem), naar hem toe en vond daar Aboe Djahl en Abdoellah ibn Abi Umayyah ibn Al-Moeghira. De boodschapper zei tegen Aboe Talib: 'O oom, zeg "La ilaha illallah" - een verklaring waarmee ik voor u bij Allah zal pleiten., Aboe Djahl en Abdoellah ibn Abi Umayyah antwoordden: 'Wilt u dat hij afstand doet van de religie van Abd al-Moettalib?' De boodschapper bleef deze verklaring aanbieden, herhalend, tot Aboe Talib uiteindelijk zei: 'Ik blijf vasthouden aan de religie van Abdoel 'Moettalib,' en weigerde "La ilaha illallah" te zeggen. Daarop zei de boodschapper van Allah, vrede zij met hem: 'Ik zal vergeving voor u blijven vragen, behalve als mij bevolen wordt het niet te doen.' En Allah openbaarde: 'Het past de profeet en de gelovigen niet dat zij om vergeving vragen voor de polytheïsten.' (at-tawba:113) Ook openbaarde Allah over Aboe Talib en zei tegen de boodschapper van Allah: 'Jij kunt niet degene leiden die jij liefhebt, maar Allah leidt wie Hij wil.' (al-Qafas:56)."
Authentiek Overeengekomen tussen al-Boekhari en Moeslim
"Op elk gewricht van de mens rust een vorm van liefdadigheid. Iedere dag waarop de zon opgaat geldt: rechtspreken tussen twee mensen is een liefdadigheid; het helpen van een man bij zijn rijdier door hem erop te laten plaatsnemen of zijn last daarop te tillen, is een liefdadigheid; een goed woord is een liefdadigheid; elke stap die je zet op weg naar het gebed is een liefdadigheid en het verwijderen van een hinderlijk obstakel van de weg is een liefdadigheid."
Authentiek Overgeleverd door Al-Boekhari en Moeslim
"Wij bevonden ons eens met de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) op reis. De Profeet verwijderde zich enige tijd om aan zijn behoefte te voldoen. Ondertussen zagen wij een roodachtige vogel, een ḥumra, met haar twee jongen en wij namen haar kuikens weg. Daarop begon de moeder verschrikt boven ons rond te fladderen, in grote onrust om haar kroost. Toen keerde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) terug en zodra hij dit aanschouwde, sprak hij: “Wie heeft deze vogel haar kinderen afgenomen? Breng haar jongen onmiddellijk naar haar terug.” Even later zag hij een mierenhoop die wij in brand hadden gestoken, waarop hij vroeg: “Wie heeft dit vuur ontstoken?” Wij zeiden: “Dat waren wij, o Boodschapper van Allah.” Hij sprak: “Waarlijk, het past niemand om met vuur te straffen, behalve de Heer van het vuur.”
Authentiek Overgeleverd door Aboe Dawoed